1.Indien een subsidie krachtens het bepaalde in artikel 25 en artikel 26
is ingetrokken of gewijzigd, is de instelling waaraan krachtens deze
verordening een subsidie, dan wel een of meer voorschotten daarop, is
uitbetaald, een door het college te bepalen vergoeding
verschuldigd.
2. Bij het bepalen van de hoogte van deze vergoeding wordt rekening
gehouden met het totaalbedrag van het aan de instelling verleende
subsidie, het aantal jaren gedurende welke subsidie is verleend, de
verhouding tussen het gemeentelijke subsidie en de overige inkomsten van
de instelling en de eventuele wijziging in de waarde van
vermogensbestanddelen sinds zij zijn verworven.
Alvorens de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt
vastgesteld, wint het college het advies in van de betrokken
raadscommissie.
De vergoeding moet worden voldaan binnen de door het college
aangegeven termijn en op de door hen aangegeven wijze.