Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
Het horen van de belanghebbende kan achterwege gelaten worden
indien:
de vereiste spoed zich daartegen verzet;
de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is
gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich
sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
voorgedaan;
de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van
het college of van een derde aan wie het college met
toepassing van artikel 7 van de wet, werkzaamheden in
het kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een
gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld
in artikel 17 van de wet;
het college het horen niet nodig acht voor het
vaststellen van de ernst van de gedraging of van de mate
van verwijtbaarheid.