Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 3

Artikel 2.3.2

Exploitatievergunning

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Dordrecht

1. Het is, behoudens het bepaalde in artikel 2.3.4 eerste lid sub a, verboden zonder vergunning van de burgemeester een inrichting als bedoeld in deze paragraaf te exploiteren (exploitatievergunning). 2. Indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat of wordt voldaan aan de criteria, gesteld in artikel 2.3.6, tweede lid, kan door de burgemeester een vergunning worden afgegeven voor een proefperiode van ten hoogste een jaar (voorlopige vergunning). 3. Indien gedurende de proefperiode als bedoeld in het tweede lid naar het oordeel van de burgemeester niet wordt voldaan aan de criteria, gesteld in artikel 2.3.6, tweede lid, kunnen door de burgemeester nadere voorschriften worden gesteld of kan de burgemeester de voorlopige vergunning intrekken. 4. Indien tijdens de proefperiode niet van bezwaren is gebleken, deelt de burgemeester de exploitant schriftelijk mede, dat de tijdelijke vergunning met ingang van een nader door hem te bepalen datum dient te worden beschouwd als een vergunning, als bedoeld in het eerste lid. 5. Een voorlopige vergunning, waarbij lid 4 geen toepassing vindt, vervalt na afloop van de in de vergunning vermelde termijn. 6. Bij het onherroepelijk worden van een (op)nieuw verleende vergunning ten behoeve van dezelfde inrichting vervalt steeds de oude vergunning met betrekking tot die inrichting van rechtswege.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel