In deze paragraaf wordt verstaan onder:
inrichting:
alle lokaliteiten waarin een horecabedrijf, als
bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet
wordt uitgeoefend, uitgezonderd de seksinrichting
als bedoeld in artikel 3.1.1 sub c ;
alle voor publiek openstaande lokaliteiten, open
plaatsen, tuinen of gedeelten daarvan, zomede de
daarbij behorende terrassen en de daarmee
gemeenschap hebbende vertrekken die niet uitsluitend
als woning of winkel worden gebruikt, openbaar
toegankelijke voer- of vaartuigen, alsmede de niet
voor publiek toegankelijke lokaliteiten welke voor
het publiek op de weg bereikbaar zijn
uitgezonderd de seksinrichtingen als bedoeld
in artikel 3.1.1, sub c en
uitgezonderd standplaatsen
voor zover vanuit deze lokaliteiten regelmatig en/of op
gezette tijden:
gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet
enigerlei eet- en/of drinkwaren te verkrijgen, af te
halen en/of te verbruiken dan wel
amusement of ontspanning wordt aangeboden.
Barvrijwilliger: de op het gebied van sociale hygiëne
gekwalificeerde persoon als bedoeld in artikel 9 lid 1
Drank- en Horecawet.
bezoeker: een ieder, die zich in een inrichting bevindt, met
uitzondering van:
de gezinsleden van de beheerder van de inrichting,
alsmede diens elders wonende bloed- of aanverwanten,
in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en
met de derde graad;
de personen die voorkomen in het register als
bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van
Strafrecht;
de personen wier tegenwoordigheid in de inrichting
wegens dringende omstandigheden vereist wordt.
exploitant: de natuurlijke perso(o)n(en) of rechtspersoon
voor wiens rekening en risico de inrichting wordt
gedreven;
leidinggevende:
de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft
in een inrichting;
de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding
geeft in een inrichting.
paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon, als
bedoeld in artikel 4 lid 1 Drank- en Horecawet.
HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 3
Artikel 2.3.1
Begripsomschrijving
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Dordrecht