**1.** De burgemeester kan een inrichting - al dan niet voor een
bepaalde duur – gesloten verklaren:
indien die inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige
vergunning;
indien die inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met
de aan de vergunning verbonden voorschriften;
indien de burgemeester oordeelt dat een van de in
artikel 2.3.8 tweede lid, genoemde situaties waarin
intrekking, schorsing of wijziging van de vergunning
mogelijk is, zich voordoet.
**2.** De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt
zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of
toegangen van de inrichting is aangebracht.
**3.** Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de
burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden
feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn
oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling
van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal
plaatsvinden.
**4.** Het is de exploitant en de leidinggevenden verboden na het van
kracht worden van de sluiting als bedoeld in het eerste lid,
bezoekers tot de inrichting toe te laten of daarin te laten
verblijven.
**5.** Het is een ieder verboden in een bij besluit van de burgemeester
gesloten inrichting als bezoeker te verblijven.
HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 3
Artikel 2.3.9
Sluiting van inrichtingen
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Dordrecht