**1..** Indien een belanghebbende, anders dan door gedragingen als bedoeld in artikel 12, een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. Dit is het bedrag aan bijstand dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging onnodig eerder of langer nodig heeft.
**2..** Onverminderd artikel 2, tweede lid van deze verordening, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld:
bij een benadelingsbedrag tot €1000,--: 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand;
bij een benadelingsbedrag van €1000,-- tot €2000,--: 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand;
bij een benadelingsbedrag van €2000,-- tot €4000,--: 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand;
bij een benadelingsbedrag van €4000,-- of meer: 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand.
**3..** De duur van de maatregel, als bedoeld in het tweede lid, wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 3, tweede lid van deze verordening. Artikel 14, vierde lid, van deze verordening is van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK 6
Artikel 18.