Naar hoofdinhoud
1.. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of b. de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg daarvan ten onrechte een uitkering is verleend; of c. de schending van de inlichtingenplicht tenminste vijf jaren geleden heeft plaatsgevonden; of d. het signaal tot de beoordeling van een maatregelwaardige gedraging door toedoen van de gemeente niet binnen 6 maanden tot een besluit heeft geleid. 2.. Er wordt geen maatregel in de zin van artikel 20, eerste lid van de IOAW of artikel 20, tweede lid van de IOAZ opgelegd indien de belanghebbende geen verweer voert tegen dan wel instemt met een beëindiging van het dienstverband door of op verzoek van de werkgever. 3.. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 4.. Indien het college, op grond van dringende redenen, afziet van het opleggen van een maatregel wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk, in de vorm van een beschikking, mededeling gedaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel