1. Indien een belanghebbende, anders dan door gedragingen als bedoeld in artikel 13, blijk geeft van onvoldoende inzet voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 20, eerste lid van de IOAZ, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. Dit is het bedrag aan uitkering dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging onnodig eerder of langer nodig heeft.
2. Tot de in het eerste lid bedoelde gedragingen behoort in ieder geval het te snel interen van een vermogen, waaronder het doen van schenkingen, dat meer bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens.
3. De in het eerste lid bedoelde maatregel bedraagt:
maximaal 30% van de toepasselijke grondslag gedurende een maand bij een benadelingsbedrag tot € 4000,-;
maximaal 100% van de toepasselijke grondslag gedurende een maand bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer.
HOOFDSTUK 2
Artikel 17