1. Indien een belanghebbende, anders dan door gedragingen als bedoeld in artikel 12, een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. Dit is het bedrag aan bijstand dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging onnodig eerder of langer nodig heeft.
2. Tot de in het eerste lid bedoelde gedragingen behoort in ieder geval het te snel interen van een vermogen, waaronder het doen van schenkingen, dat meer bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens.
3. De in het eerste lid bedoelde maatregel bedraagt:
maximaal 30% van de toepasselijke bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag tot € 4000,-;
maximaal 100% van de toepasselijke bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer.
HOOFDSTUK 2
Artikel 16