Naar hoofdinhoud
1. Het college legt een maatregel op indien: de belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de WWB; de belanghebbende zich in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering of nadien onvoldoende inzet voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 20, eerste lid van de IOAZ; de belanghebbende de verplichtingen voortvloeiende uit de WWB, IOAW of IOAZ, anders dan de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid van de WWB, artikel 13, eerste lid van de IOAW of artikel 13, eerste lid van de IOAZ, niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen. 2. In afwijking van het eerste lid legt het college geen maatregel op, maar wordt volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wanneer een bepaling van deze verordening dit expliciet voorschrijft. 3. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte en duur van de maatregel die op schending van een in deze verordening opgenomen verplichting is gesteld. 4. Bij het bepalen van de hoogte en de duur van de maatregel wordt met de mate van verwijtbaarheid van de belanghebbende en de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende of het gezin waartoe hij behoort rekening gehouden. 5. Indien de mate van verwijtbaarheid van de belanghebbende en de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende of het gezin waartoe hij behoort geen aanleiding geven tot een lichtere maatregel, wordt de maatregel opgelegd die voor de betreffende schending in deze verordening is vastgesteld, waarbij geldt dat recidive tot een zwaardere maatregel leidt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel