Artikel 1 Begripsbepalingen
a. Inspraak:
Inspraak is een begrip dat op veel manieren kan worden omschreven. Kern van het begrip is dat belanghebbenden een formele mogelijkheid krijgen hun mening kenbaar te maken over voornemens van het gemeentebestuur. Het is voor het gemeentebestuur een belangrijk hulpmiddel bij de belangenafweging die het moet maken alvorens een besluit definitief vast te stellen. Inspraak houdt dus niet in meebeslissen.
Het is de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan om uiteindelijk een besluit te nemen.
Het gaat om de laatste fase van de voorbereiding, namelijk als er al een uitgewerkt ontwerp bestaat. In een eerdere fase van de voorbereiding kunnen ook belanghebbenden worden betrokken. Dit heet in Haarlem participaite. In die fase worden mestal gericht bepaalde groepen van belanghebbenden of deskundigen uitgenodigd mee te denken. Inspraak staat open voor alle Haarlemmers en belanghebbenden.
b. Inspraakprocedure
Als niet iets anders is bepaald, geldt de procedure van afdeling 3.4 Awb, die in elk geval een zorgvuldige procedure behelst. Het is echter mogelijk een andere procedure vast te stellen. Zoals in de algemene toelichting gesteld kan de vraag wat de meest passende procedure is worden beoordeeld aan de hand van het onderwerp van het voorgenomen besluit, wie de betrokkenen zijn en soms ook van de vorm en intensiteit van voorafgaande participatie.
c. Bestuursorgaan
Bestuursorganen van het gemeentebestuur zijn de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester en bestuurscommissies.
d. Belanghebbende
Het begrip belanghebbende is hier ruimer gedefinieerd dan in de Awb. Omdat het om de voorbereiding van besluiten gaat, is het gerechtvaardigd daar een ruimere kring van belanghebbenden bij te betrekken.
De kring van personen en organisaties die beroep kunnen aantekenen tegen het definitieve besluit is kleiner dan de kring van personen en organisaties die kunnen inspreken. In een beroepsprocedure toetst de rechter namelijk aan het begrip belanghebbende zoals gedefinieerd in de Awb, dat wil zeggen dat het moet gaan om een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang.
Artikel 2 Onderwerp van inspraak
Eerste lid
In de vorige inspraakverordening stond dat inspraak verleend werd op beleidsvoornemens. Er ontstond geregeld discussie over de vraag wat dan precies een beleidsvoornemen in de zin van de verordening was.
In de huidige tekst is niet de vraag leidend wat om voor besluit het gaat, maar de mate waarin mensen zich betrokken voelen bij het voorgenomen besluit. Dat is bepalend voor de vraag of inspraak een meerwaarde heeft en dus nodig is.
De beoordeling of het voorgenomen besluit veel mensen raakt, wordt gemaakt in het participatieen inspraakplan (PIP). Dat wordt gemaakt door de ambtelijke opdrachtnemer, in samenspraak met de opdrachtgever, de stadsdeelregisseur en een communicatieadviseur. Zo kan vanuit de inhoud van het onderwerp en inhoudelijk betrokkenen en vanuit de kennis van de wijk waar het zich afspeelt beoordeeld worden of inspraak nuttig en nodig is. Het PIP wordt altijd in elk geval behandeld in de staf van de portefeuillehouder. Voor kleinere, niet omstreden projecten volstaat dat, voor grotere projecten wordt het als onderdeel van het plan van aanpak door het college vastgesteld. Als het gaat om een onderwerp waarover uiteindelijk de raad besluit, wordt het PIP ook besproken in de raadscommissie. Die kan het inhoudelijk beoordelen en krijgt bovendien zo de kans meteen aan te geven of de raad in dit geval een actieve rol wil spelen in de participatie en de inspraak.
Tweede lid, onder e
In beginsel wordt op alle voorgenomen besluiten waarbij naar verwachting velen zich betrokken voelen de mogelijkheid van inspraak geboden. Er kunnen echter in een concreet geval redenen zijn dit niet te doen. Dit moet dan goed worden gemotiveerd. Het besluit om geen inspraak te verlenen is een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 6:3 Awb. Hiertegen kan dus niet apart bezwaar worden gemaakt. Het kan wel worden beoordeeld in een eventuele bezwaarprocedure tegen het uiteindelijke besluit.
In een aantal gevallen verplicht de wet de mogelijkheid tot inspraak te bieden. Dan is het uiteraard niet mogelijk af te zien van inspraak.
Artikel 3 Inspraakgerechtigden
De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. Zie voor het begrip belanghebbende de toelichting bij artikel 1.
Artikel 4 Inspraakprocedure
Met het oog op een eenvormige inspraakprocedure is in het eerste lid afdeling 3.4 Awb van toepassing verklaard op de inspraak. Na terinzagelegging en bekendmaking van het voorgenomen besluit kunnen
belanghebbenden gedurende zes weken schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar vorgen brengen. In veel gevallen zal deze procedure passend zijn. Zo niet, dan kan op grond van het tweede lid de
inspraakprocedure worden aangepast.
Bij elk voorgenomen besluit waarop in beginsel inspraak mogelijk is, hoort een inspraakprocedure te worden vastgesteld waarin duidelijk staat aangegeven:
- beschrijving en resultaat van eerdere voorbereiding;
- hoe lang er kan worden ingesproken (inspraaktermijn)
- het exacte onderwerp waarover kan worden ingesproken
- wie er kunnen inspreken
- hoe er kan worden ingesproken
- de eventuele samenhang met andere voorgenomen besluiten
- verwerkingstermijn
- verwerkingswijze
- terugmelding verwerking inspraakreacties
- wanneer het definitieve besluit genomen wordt en door wie
- schets van het gelehel (bestuurlijke) behandelingstraject
- de kosten en bekostiging van de inspraak.
Artikel 5 Verwerking van inspraak
De inspraakresultaten worden op een duidelijke wijze gerangschikt, samengevat en van bestuurlijk commentaar voorzien. Ook wordt aangegeven tot welke aanpassingen dit al of niet heeft geleid.
Om zeker te zijn dat alle reacties goed zijn begrepen zal - waar mogelijk en zinnig - een terugmelding van de verwerking van de inspraakreacties plaatsvinden aan de insprekers. Dit is geen nieuwe inspraakronde, maar een controle op de juistheid van de verwerking.
Artikel 6 Klacht
Dit artikel sluit aan bij de terminologie van hoofdstuk 9 Awb. Hierdoor is de term “bezwaarschrift” uit de oude verordening vervangen door de term “klacht”. De term bezwaarschriften is gereserveerd voor bezwaren tegen besluiten in de zin van de Awb, terwijl klachten veeleer gaan over gedragingen.
Het systeem van klachtrecht en rechtsbescherming komt op het volgende neer:
a. Tegen besluiten die zijn voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 Awb kan geen bezwaar worden gemaakt, maar kan uitsluitend beroep op een administratieve rechter worden ingesteld (artikel 7:1, eerste lid, onderdeel, Awb)
b. Klachten tegen een gedraging van een bestuursorgaan of een ambtenaar in het kader van de uitvoering van de Inspraakverordening, worden ter advisering voorgelegd aan de Klachtencommissie Inspraak;
c. Klachten tegen een gedraging, anders dan in het kader van de uitvoering van de Inspraakverordening worden behandeld door de klachtencoördinator van de gemeentelijke sector die het aangaat.
d. Iedereen heeft het recht de Nationale ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop zijn of haar klacht zoals hiervoor onder b. en c. omschreven is behandeld.
Artikel 7 Samenstelling Klachtencommissie Inspraak
Door deze samenstelling ontstaat een adviescommissie die in meerderheid uit (onafhankelijke) ‘derden’ bestaat. Ook de voorzitter is een ‘derde’.
Artikel 11 Advisering Klachtencommissie Inspraak
Over de gang van zaken tijdens een participatieproces kan niet afzonderlijk een klacht worden ingediend. De Klachtencommissie Inspraak kan dit echter wel in haar beschouwingen over een klacht over inspraak betrekken.
Op de procedure bij de Klachtencommissie Inspraak zijn de bepalingen van hoofdstuk 9 Awb en de regels die ook voor de commissie Bezwaar- en beroepschriften van toepassing. Het gaat hier om zaken als ontvangstbevestiging, het horen van de klager en de afhandelingstermijn?.