Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.8

Kosten in verband met verhuizing of woninginrichting

Onderdeel van Richtlijnen bijzondere bijstand

Verhuiskosten en kosten van woninginrichting zijn normale bestaanskosten die uit een inkomen op bijstandsniveau dienen te worden bestreden. Alleen in bijzondere omstandigheden is bijstand in deze kosten mogelijk. Deze voorwaarden zijn: de noodzaak van de verhuizing moet vaststaan, de kosten zijn onvoorzien, er waren geen reserveringsmogelijkheden (vooraf of gespreide betaling achteraf), er zijn geen voorliggende voorzieningen. Uitgangspunt is dat de gemeente van vertrek beoordeelt of voor de verhuizing bijstand wordt verleend. Het standpunt van de gemeente van vertrek zal in principe worden overgenomen door de gemeente van vestiging. Bij een verhuizing naar een andere gemeente neemt de gemeente van vertrek die kosten voor haar rekening, die direct betrekking hebben op het vertrek zelf, zoals de huur van de verhuiswagen. De kosten, die betrekking hebben op de nieuwe woning, komen voor rekening van de gemeente van vestiging. Het betreft hier onder meer de kosten van het schilderen/behangen, aansluitkosten energievoorzieningen, en –indien van toepassing de kosten van woninginrichting (zie echter ook de opmerkingen bij het kopje "woninginrichting" over bijzondere bijstandsverlening voor duurzame gebruiksgoederen). Om te voorkomen dat discussie ontstaat over de dubbele huur, wordt ervan uitgegaan dat de huur van de oude woning dubbel is. Verhuiskosten is bijstand om niet Voor verhuiskosten kan geen lening worden verstrekt (of borgtocht voor een lening) omdat de WWB dit niet toestaat. De WWB bepaalt in welke gevallen bijstand in de vorm van een geldlening kan worden verstrekt. Bijstand voor verhuiskosten wordt in principe verleend om niet, als de noodzaak vaststaat. Een lening is wel mogelijk als er sprake is van onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef of als er later middelen ter beschikking komen (b.v. waarborgsom). Woninginrichting Woninginrichting bestaat in hoofdzaak uit duurzame gebruiksgoederen. In beginsel wordt geen bijzondere bijstand voor deze kosten verleend, omdat de kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Daarin dient vanuit het inkomen voorzien te worden door reservering vooraf of gespreide betaling achteraf. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. Primair geldt dat cliënten worden verwezen naar de Stadsbank voor een geldlening. Als de Stadsbank de gemeente verzoekt om borg te staan dient een onderzoek gedaan te worden naar de noodzaak. Verder moet de looptijd van de lening worden vastgesteld en eventueel de bijstand voor aflossing en rente (suppletie). Dit gebeurt in veel gevallen bij voormalige asielzoekers, die uit een AZC komen. Bijzondere bijstand in de vorm van geldlening is van toepassing indien een lening bij de Stadsbank (met borgtocht) niet mogelijk is. Bijstand om niet wordt slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden verleend. Indien bijzondere bijstand wordt verleend voor de kosten van aflossing en rente, dient door middel van bonnen te worden aangetoond dat de geldlening is besteed aan inrichting van de woning. Voor richtprijzen van kosten van woninginrichting (losse onderdelen) wordt het prijzenboekje van het Nibud gehanteerd. Als sprake is van volledige woninginrichting, worden de maximale bedragen van de Stadsbank Midden Nederland gehanteerd. Deze bedragen en de aflossingsbedragen zijn terug te vinden op het normenoverzicht. Verhuiskostenfonds De belanghebbende met een gezinsinkomen, dat niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm of de belanghebbende met een huur boven de huursubsidiegrens, die woonkostentoeslag ontvangt en in verband hiermee de verhuisverplichting opgelegd heeft gekregen, komt voor het verhuiskostenfonds in aanmerking als hij verhuist van een woning met een huur, die hoger is dan de toepasselijke aftoppingsgrens voor de huursubsidie naar een woning met een huur, die lager is dan de toepasselijke aftoppingsgrens voor de huursubsidie, en de maandelijkse huurvermindering tenminste € 50,-- bedraagt. De vergoeding bedraagt maximaal € 1.250,--. De kosten moeten worden aangetoond.

Rechtspraak bij dit artikel