Naar hoofdinhoud
Als aan een woning geen woonkosten verbonden zijn, is sprake van lagere bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 27 WWB opent om die reden de mogelijkheid om de norm of de toeslag te verlagen. Dat is in artikel 4 gerealiseerd. Het bepaalde leidt ertoe dat de norm of toeslag met het bedrag van de basishuur, zoals omschreven in de artikelen 16 en 17 van de Wet op de Huurtoeslag, wordt verlaagd indien een woning wordt bewoond waaraan voor de belanghebbende geen woonkosten verbonden zijn. Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur of, als de bij een eigen woning, de verschuldigde hypotheekrente en de aan het eigendom verbonden zakelijke lasten alsmede een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud (CRvB 6 november 2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW). Artikel 4, tweede lid is een spiegel van artikel 2, derde lid van deze verordening. Daar waar de alleenstaande (ouder) die geen woning bewoont, een toeslag ontvangt van 2%, levert dezelfde systematiek bij gehuwden een verlaging op van 18%. Wordt de norm of toeslag verlaagd omdat de belanghebbende geen woonlasten heeft en is hij daarnaast medebewoner, zodat de toeslag ook nog eens op die grond verlaagd wordt, dan kan dit spoedig als een te ver gaande vorm van verlaging van de uitkering worden aangemerkt, gelet op het totale effect van de dubbele verlaging (zie CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698). Op grond van het individualiseringsbeginsel zal de verlaging dan beperkt moeten worden. Samenloop is geregeld in artikel 4 derde lid van deze verordening waarbij is bepaald dat in deze situatie de verlaging op grond van artikel 4 zal gelden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel