Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.3

Toepassing Methodiek

Onderdeel van Nota Bovenwijkse Voorzieningen 2010

De financiering van bovenwijkse voorzieningen en ruimtelijke investeringen kan in 4 stappen worden bepaald. In eerste instantie zal er onderscheid gemaakt moeten worden tussen bestaande en nieuwe bovenwijkse voorzieningen. Er zijn 5 bestaande bovenwijkse voorzieningen. Een aantal projecten daarvan is nog niet (helemaal) gerealiseerd en ook de financiering uit de reserve is nog niet afgewikkeld. In het verleden toegekende bovenwijkse voorzieningen zullen afgehandeld worden volgens bestaande afspraken. Dit betekent dat voorzieningen die voor 2010 zijn toegekend conform de huidige methodiek gefinancierd zullen worden. Voor grondexploitaties geldt ook dat bestaande afspraken blijven gelden. Dit betekent dat grondexploitaties die voor 2010 een afdracht gedaan hebben, ook tot de laatste gronduitgifte een afdracht per vierkante meter zullen doen aan de reserve Bovo volgens het opgenomen tarief. De tweede stap in het schema is de toetsing van een nieuwe claim aan de criteria voor bovenwijkse voorzieningen en ruimtelijke investeringen, zoals beschreven in hoofdstuk 3. Het betreft drie criteria voor bovenwijkse voorzieningen; 1. Is er sprake van de aanleg van een voorziening, 2. Is er een verband met ontwikkelingen die een grondexploitatie voeren en 3. Is de voorziening planoverstijgend? Voor ruimtelijke investeringen gaat het om twee criteria: 1. Betreft het een ruimtelijke investering en 2. is de investering van gemeentebelang? Indien een claim voldoet aan de geformuleerde criteria kan deze worden aangemerkt als bovenwijkse voorziening of ruimtelijke investering. De derde stap betreft de inventarisatie van een bovenwijkse voorziening. Hier dient de vraag gesteld te worden of er sprake is van een concreet / definitief project. Dit is afhankelijk van het feit of er al besluitvorming (opgenomen in kadernota of meerjarenbegroting) heeft plaatsgevonden en of er voldoende gegevens bekend zijn. Om de financiering te kunnen toebedelen, dienen de volgende gegevens bekend te zijn; de investeringskosten van de aanleg van voorziening of gebiedsontwikkeling, de jaren waarin deze kosten gemaakt zullen worden (fasering) en de hoogte van externe bijdragen (zoals subsidies van de regio, provincie en het rijk) voor de aanleg van een voorziening. Indien een claim volgens de criteria wel als bovenwijkse voorziening kan worden aangemerkt, maar nog niet als concreet project wordt aangewezen, wordt deze als wachtkamerproject opgenomen. Bij een volgende actualisatie van de Nota Bovenwijkse Voorzieningen worden de claims opnieuw bekeken. Hiernaast zijn nog projecten te benoemen als toekomstige voorzieningen. Dit zijn mogelijke ontwikkelingen die voldoen aan de criteria maar waarvan nog onzeker is of deze in de toekomst ook tot uitvoering worden gebracht. De vierde stap betreft de uitsplitsing van het investeringsbedrag. Indien een nieuwe claim (stap 1) wordt aangemerkt als bovenwijkse voorziening of ruimtelijke investering (stap 2) en het een concreet project betreft (stap 3), wordt deze opgenomen als investeringsproject in de nota bovenwijkse voorzieningen. Voor de financiering van de bovenwijkse voorzieningen en ruimtelijke investeringen, wordt er onderscheid gemaakt tussen drie dekkingsbronnen; - externe financiering - algemene middelen - reserve bovenwijkse voorzieningen Van de investeringskosten dienen eerst de externe bijdragen en subsidies afgehaald te worden. Bij een gebiedsexploitatie gaat het om de onrendabele top van een project. De resterende investeringskosten (netto investering) worden gedekt door profijthebbende exploitatiegebieden én het bestaand bebouwd gebied. De exploitatiegebieden dragen bij via de bestemmingsreserves of rechtstreeks via de grondexploitatie (voor zover het een wijkse investering betreft). Het bestaand bebouwd gebied draagt bij via de algemene middelen van de gemeente.   Toebedeling van de kosten van bovenwijkse voorzieningen tussen exploitatiegebieden en het bestaand bebouwd gebied vindt plaats op basis van het profijtbeginsel. Naarmate gebieden meer profijt hebben, dragen deze meer bij aan de kosten. De toebedeling wordt zoveel mogelijk onderbouwd door objectieve (bij voorkeur meetbare) criteria. De verdeelsleutel kan op basis van verkeersbewegingen, woningaantallen of verwacht gebruik / herkomst bezoekers bepaald worden. De verdeelsleutel is afhankelijk van de aard van de voorziening. De methodiek wordt hieronder toegelicht met een voorbeeld (de bedragen en percentages in het voorbeeld zijn indicatief). Voorbeeld: aanleg rotonde bij Kalkestein en Fructus De werkzaamheden betreffen de aanleg van een rotonde om de toekomstige verkeerstroom van deze ontwikkelingsplannen te kunnen afwikkelen. De investering voldoet aan alle criteria en wordt aangemerkt als bovenwijkse voorziening. De investeringskosten van de diverse civieltechnische maatregelen bedragen € 350.000. De investeringkosten van de aanleg van deze bovenwijkse voorziening dienen in de nieuwe methodiek betaald te worden door de gebruikers (profijtbeginsel). Uit verkeersimulaties blijkt na realisatie van de projecten, op basis van verkeersbewegingen, de volgende verdeelsleutel: Fructus     30% Kalkestein   20% Bestaand bebouwd gebied 50% Als de bovenwijkse voorziening gerealiseerd is, komen circa 20% van de verkeersbewegingen van Kalkestein, 30% van Fructus en de overige 50% van de bestaande kern. Op basis van het profijtbeginsel is het uitgangspunt dat de gebruiker betaald. De dekking van de totale investeringskomsten is daarbij als volgt: --> € 175.000 (50 % van € 350.000) wordt betaald uit de reserve bovenwijkse voorzieningen wegens profijt van Fructus en Kalkestein --> € 175.000 (50% van € 350.000) wordt betaald door de algemene middelen van het bestaand bebouwd gebied. De helft van de investering wordt gefinancierd uit gemeentelijke middelen en de andere helft wordt gefinancierd uit de reserve Bovenwijkse Voorzieningen (die gevoed wordt door de grondexploitaties Fructus en Kalkestein).

Rechtspraak bij dit artikel