Voorgesteld wordt een heldere methodiek te hanteren waarin duidelijk is welke projecten in aanmerking komen voor een (gedeeltelijke) bijdrage uit de bestemmingsreserves en hoe de dekking van deze gelden geregeld wordt. De volgende uitgangspunten worden voor de berekening van de bestemmingsreserves gehanteerd: De bestemmingsreserves zijn ingericht als een grondexploitatie, de inkomsten en uitgaven worden gefaseerd in de tijd gezet. De uitgaven van de bestemmingsreserve worden bepaald aan de hand van de criteria in de herziening. Per bovenwijkse voorziening / ruimtelijke investering is op basis van het profijtbeginsel aangegeven welk deel gefinancierd wordt door de bestemmingsreserves. De inkomsten van het fonds bestaan uit een vast bedrag (tarief) per vierkante meter uitgeefbare grond vanuit grondexploitaties en gronduitgiftes. Het tarief wordt bepaald door het aandeel in de geraamde investeringen voor bovenwijkse voorzieningen / ruimtelijke investeringen dat betrekking heeft op de (profijthebbende) grondexploitaties. De looptijd van de bestemmingsreserve is tot 2020. De laatste investeringen ten behoeve bovenwijkse projecten zijn in dat jaar geraamd. Alleen met inkomsten en uitgaven in deze periode wordt rekening gehouden. Hierdoor zijn de inkomsten- en uitgavenkant beter in evenwicht De rente is conform richtlijnen voor fondsen (hiervoor wordt de inflatie genomen). In 2010 is deze geschat op 1%. Alle grondexploitaties en gronduitgiftes dienen in principe af te dragen aan de bestemmingsreserve. Dit geldt ook voor herstructureringsprojecten met een negatief projectsaldo. Bestaande afspraken met betrekking tot lopende bovenwijkse voorzieningen en grondexploitaties worden gehandhaafd. De inkomsten en uitgaven van de bestemmingsreserve dienen jaarlijks geactualiseerd te worden. De bestemmingsreserve is budgettair neutraal ingesteld. Uitgangspunt dat er in geen enkel jaar een tekort ontstaat.
Hoofdstuk 6
Artikel 6.1
Werking bestemmingsreserves
Onderdeel van Nota Bovenwijkse Voorzieningen 2010