1.Voordat een persoon als adviseur wordt aangewezen, kan het college verlangen dat deze
op grond van opleiding en ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 3, eerste, tweede of derde lid, bedoelde aspecten waarop deze persoon de aanvraag moet beoordelen.
2.Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijk van de raad. Eveneens mag een
2. adviseur niet betrokken zijn bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft.
Artikel 5. Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie
1.Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in artikel 2 verstrekt, stelt het college
de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van:
een adviseur als bedoeld in artikel 3, eerste lid, of
meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 3, vijfde lid.
De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als
bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet kunnen binnen twee weken na de
mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot
wraking van één of meerdere adviseurs bij het college indienen.
3.Het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn
3. over een ingediend verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs.