Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › AFDELING 1 › Paragraaf 4

Artikel 2.1.4.3

Maken of veranderen van een uitweg

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Hardenberg

1.. Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 3.. Bij de melding wordt een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie overgelegd. 4.. Het college laat binnen vier weken na ontvangst van de melding weten of het college aan de gewenste uitweg voorschriften stelt of dat de gewenste uitweg in het geheel niet kan worden gerealiseerd. 5.. Het college stelt voorschriften aan de gewenste uitweg indien door het realiseren ervan: gevaar of hinder ontstaat of dreigt te ontstaan voor het wegverkeer ter plaatse; het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats onmogelijk wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt; de groenvoorziening in de gemeente wordt geschaad of dreigt te worden geschaad. 6.. Het college weigert slechts de aanleg van de uitweg als door de aanleg een voor het verkeer gevaarlijke situatie ontstaat die niet door het stellen van voorschriften kan worden voorkomen. 7.. Het college stelt de indiener van de melding binnen zes weken na ontvangst van de melding op de hoogte van de voorschriften als bedoeld in het vierde lid of weigering van de aanleg als bedoeld in het zesde lid. 8.. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel