Naar hoofdinhoud
1.. De leidinggevende evalueert regelmatig*, in ieder geval iedere 6 weken, met de medewerker hoe het gaat, of de afspraken in het plan worden nagekomen en of het plan nog past bij de situatie van de werknemer. * Volgens het UWV moet minimaal eenmaal in de 6 weken een voortgangsgesprek worden gehouden. 2.. Voor een goede begeleiding is tussentijdse evaluatie door de bedrijfsarts van de Arbodienst, de leidinggevende, de casemanager en de medewerker noodzakelijk. De medewerker zal dan ook zo vaak als nodig is voor een goede begeleiding, maar in ieder geval maandelijks, de voortgang met een bedrijfsarts van de Arbodienst bespreken. 3.. Ook tijdens deze evaluatiemomenten wordt telkens vastgesteld in hoeverre de gemaakte afspraken, zoals vastgelegd in het plan van aanpak, zijn nagekomen. Tevens zal besproken worden of het verwachte herstel daadwerkelijk is gerealiseerd. 4.. De leidinggevende wordt hierover door de medewerker en de bedrijfsarts geïnformeerd. 5.. Indien daartoe aanleiding is, zal het oorspronkelijke plan van aanpak worden bijgesteld. 6.. De bedrijfsarts informeert na ieder contactmoment de werkgever en de medewerker over de voortgang. In het voortgangsverslag wordt vermeld welke activiteit is uitgevoerd en wat dit voor gevolgen heeft voor de werkhervatting. Tevens wordt aangegeven welke werkzaamheden de medewerker, in plaats van reguliere taken, eventueel zou kunnen uitvoeren. 7.. Voor afloop van het eerste ziektejaar evalueren de medewerker en leidinggevende de stappen die in het eerste jaar zijn gezet om de re-integratie te bevorderen. Er wordt vastgesteld of het verstandig is om het plan van aanpak bij te stellen. De evaluatie wordt onderdeel van het re-integratieverslag (= 1e jaarsevaluatie).

Rechtspraak bij dit artikel