Naar hoofdinhoud

Paragraaf 5

Artikel 2.1.5.1

b Uitzonderingen en afbakeningsbepaling

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Helmond 2008

1.. Het verbod in het eerste lid van artikel 2.1.5.1 a geldt niet voor: evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1.1; terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.3; standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3; uitstallingen bij winkelpanden voor zover: 1º de uitstallingen worden aangebracht op het trottoir of een voetgangersgedeelte; 2º de uitstallingen niet verder dan 1 meter uit de gevel worden geplaatst; 3º er minimaal 1.5 meter trottoir- of voetgangersgedeelte overblijft om de vrije doorgang van verkeer te waarborgen; 4º de ruimte die door uitstallingen in beslag wordt genomen niet meer bedraagt dan 20% van de totale gevelbreedte; 5º (nood)uitgangen niet belemmerd worden; 6º de uitstallingen niet hoger zijn dan 2.2 meter; 7º de uitstalingen niet buiten de vastgestelde openingstijden van het pand worden geplaatst. hoogwerkers, steigers, stortbakken en containers in verband met particuliere (bouw) werkzaamheden die tijdelijk op de weg worden geplaatst voor zover: 1º deze niet op wijkontsluitingswegen en fietspaden worden geplaatst; 2º degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgdraagt dat de in de aanhef genoemde zaken zich daar niet langer bevinden dan zeven achtereenvolgende dagen; 3º deze niet binnen een afstand van 5 meter vanaf een kruising worden geplaatst; 4º bij plaatsing op trottoir- of voetgangersgedeelte er minimaal 1.5 meter wordt vrijgehouden; 5º de ruimte die in beslag wordt genomen niet meer bedraagt dan de gevelbreedte van de (eigen) woning; 6º bij plaatsing op de rijbaan er minimaal 3.5 meter rijbreedte wordt vrijgehouden; 7º (nood)uitgangen niet belemmerd worden; 8º het verkeer niet in gevaar wordt gebracht; 9º de in de aanhef genoemde zaken permanent goed zichtbaar zijn voor verkeersdeelnemers en afdoende zijn gemarkeerd. voorwerpen anders dan bedoeld onder e of stoffen in verband met particuliere (bouw)werkzaamheden die tijdelijk op de weg worden geplaatst voor zover: 1º deze op het trottoir, voetgangersgedeelte of in een parkeervak worden geplaatst; 2º degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgdraagt dat de voorwerpen of stoffen zich daar niet langer bevinden dan drie achtereenvolgende dagen; 3º er minimaal 1.5 meter trottoir- of voetgangersgedeelte wordt vrijgehouden; 4º de ruimte die in beslag wordt genomen niet meer bedraagt dan de gevelbreedte van de (eigen) woning; 5º de hoogte van de voorwerpen of stoffen niet meer bedraagt dan 1.5 meter; 6º (nood)uitgangen niet belemmerd worden; 7º het verkeer niet in gevaar wordt gebracht; 8º na verwijdering van de voorwerpen of stoffen de weg onmiddellijk wordt gereinigd door degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten. (verwijs)borden voor de verkoop van (zelfverbouwde) agrarische streekproducten voor zover: 1º deze worden geplaatst buiten de bebouwde kom als bedoeld in artikel 1.1 van deze verordening; 2º deze niet groter zijn dan 1.5 m2, niet hoger dan 1 meter boven het maaiveld uitkomen en via een paal deugdelijk worden bevestigd in de grond; 3º plaatsing geschiedt met inachtneming van het bepaalde in artikel 3, eerste lid onder h van de Landschapsverordening Noord-Brabant; 4º de verkeersveiligheid - ter beoordeling van het college - niet in het geding is en 5º deze gedurende een periode van maximaal 3 maanden worden geplaatst of zoveel korter wanneer het seizoen van het desbetreffende streekproduct voorbij is. 2.. Het college kan, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, in het belang van de voorkoming of opheffing van overlast, in het belang van de bruikbaarheid van de weg of het veilig gebruik daarvan, verboden is bepaalde, door het college nader in die aanwijzing te bepalen voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben of verboden is bepaalde, door het college nader in die aanwijzing te bepalen voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door haar gestelde regels. 3.. Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt tevens niet voor voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. 4.. a. Het verbod in het eerste lid van artikel 2.1.5.1a geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. De weigeringsgrond van het tweede lid, onder a, van artikel 2.1.5.1a geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. De weigeringsgrond van het tweede lid, onder b, van artikel 2.1.5.1a geldt niet voor bouwwerken. De weigeringsgrond van het tweede lid, onder c, van artikel 2.1.5.1a geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel