1. Burgers hebben spreekrecht. Zij kunnen het woord voeren in de
vergadering over de op de agenda vermelde onderwerpen.
2. Het woord kan niet gevoerd worden over:
een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar en
beroep openstaat of heeft opengestaan;
benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van
personen;
een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de
Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend;
mededelingen en ingekomen stukken.
3. Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit
binnen een redelijke termijn voor de aanvang van de vergadering aan
de griffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en telefoonnummer
en het onderwerp, waarover hij het woord wil voeren.
4. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De
voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is
van de orde van de vergadering.
5. De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft
verleend. De voorzitter kan de deelnemers aan de vergadering
toestaan aan insprekers een korte, verhelderende vraag te stellen.
Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en deelnemers
van de vergadering.
6. De voorzitter of een lid doet een voorstel voor de behandeling
van de inbreng van de burger.
Hoofdstuk 4. › Paragraaf 2.
Artikel 17.
Spreekrecht burgers
Onderdeel van Verordening op de raadscommissies gemeente Bladel 2012