Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 41

Artikel 41

Onderdeel van Richtlijnen bijzondere bijstand

A. Wij kunnen eenmalig bijzondere bijstand verstrekken voor de eigen bijdrage LBIO van uit huis geplaatste kinderen voor wie de ouders kinderbijslag ontvangen. B. De bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage LBIO van uit huis geplaatste kinderen voor wie de ouders kinderbijslag ontvangen verstrekken wij in de vorm van een geldlening. C. Bij het niet nakomen van de betalingsverplichting vorderen wij de verleende bijstand plus de eventueel hierdoor ontstane meerkosten (bijv. rente) terug. D. Wij kunnen bijzondere bijstand verstrekken voor de eigen bijdrage LBIO van uit huis geplaatste kinderen voor wie de ouders GEEN kinderbijslag ontvangen. E. De bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage LBIO van uit huis geplaatste kinderen voor wie de ouders GEEN kinderbijslag ontvangen verstrekken wij om niet. Bijstand voor jongeren van 18 tot 21 jaar in een inrichting Personen van 18 t/m 20 jaar die in een inrichting verblijven, zijn uitgesloten van het recht op algemene bijstand (artikel 13 lid 2 onderdeel a WWB). In hun algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan wordt grotendeels voorzien door de inrichting waar ze verblijven. Voor zover dit niet gebeurt, zal eerst een beroep op de ouders moeten worden gedaan. Deze hebben ingevolge Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een onderhoudsplicht totdat het kind de leeftijd van 21 jaar bereikt heeft. Er kan echter niet zonder meer van worden uitgegaan dat de jongeren altijd voor hun bestaanskosten volledig een beroep op de ouders kunnen doen. Voor zover dit beroep niet mogelijk is, bestaat er recht op bijzondere bijstand (artikel 12 WWB). Onder bepaalde voorwaarden kan op grond van artikel 12 WWB bijzondere bijstand worden verleend voor: 1. de kosten van levensonderhoud voor zover de inrichting daarin niet voorziet en de jongere geen  beroep kan doen op zijn ouder(s) voor een bijdrage; 2. bijzondere kosten (= de normale bijzondere bijstand). Omdat het hier verlening van bijzondere bijstand betreft, zal de uiteindelijke hoogte van de bijstand afgestemd moeten worden op de individuele omstandigheden. Het college zal derhalve altijd onderzoek moeten doen naar de hoogte van de noodzakelijke kosten van het bestaan. Gebruik makend van haar recht op het maken van buitenwettelijk beleid stellen wij dat de toe te kennen bijzondere bijstand voor levensonderhoud gelijk moet zijn aan de daadwerkelijk te maken kosten, middels onderzoek vastgesteld. Kinderbijslag wordt, als de ouders deze ontvangen en voor de jongere kunnen aanwenden, in mindering gebracht op de bijzondere bijstand. De hoogte van de bijzondere bijstand die is bedoeld voor bijzondere kosten (zoals een bril) wordt vastgesteld volgens de normale regels, zonder acht te slaan op de leeftijd van de betrokkene. Wel zal ook hier eerst gecontroleerd moeten worden of er is voldaan aan de eisen van artikel 12 WWB. Met andere woorden: ook voor bijzondere kosten zal eerst een beroep op de ouders gedaan moeten. Wanneer met toepassing van artikel 12 WWB bijzondere bijstand wordt verleend aan een persoon van 18 t/m 20 jaar dan kan het college deze bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht van artikel 395 onderdeel a van Boek 1 BW verhalen op de onderhoudsplichtige ouders. Deze verhaalsmogelijkheid geldt dus ook voor de bijzondere bijstand die wordt verleend aan een jongere die in een inrichting verblijft.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel