Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB 2012

De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande van 21 jaar of ouder of de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder hogere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande van 22 jaar of ouder en de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder in wiens woning géén ander zijn hoofdverblijf heeft bepaald op het in artikel 25, lid 2 van de WWB genoemde maximumbedrag. Het maximumbedrag van de toeslag wordt voor de alleenstaande van 21 jaar bepaald op 10% van het wettelijk minimumloon. De toeslag wordt voor de alleenstaande van 22 jaar of ouder of de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder, die hoofdbewoner is, eveneens in principe bepaald op het betreffende maximumbedrag indien in de woning hoofdverblijf heeft iemand, waarmee geen bloed- of aanverwantschap bestaat, en in verband met een crisissituatie wordt opgevangen, zolang deze opvang niet langer duurt dan maximaal twee maanden; De toeslag wordt voor de alleenstaande van 22 jaar of ouder en de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder eveneens in principe bepaald op het maximumbedrag indien men kostganger of onderhuurder is. De toeslag wordt voor de alleenstaande van 22 jaar of ouder en de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder eveneens voor de duur van maximaal twee maanden in principe bepaald op het maximumbedrag indien men vanwege een crisissituatie bij een ander, waarmee geen bloed- of aanverwantschap bestaat, wordt opgevangen. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande van 22 jaar of ouder en de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder, indien in de woning één ander, waarmee geen bloed- of aanverwantschap bestaat, zijn hoofdverblijf heeft, 10% van het wettelijk minimumloon. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande van 21 jaar indien in de woning één ander, waarmee geen bloed- of aanverwantschap bestaat, zijn hoofdverblijf heeft, 5% van het wettelijk minimumloon. Voor de alleenstaande van 21 jaar of ouder en de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder, indien in de woning meer dan één ander, waarmee geen bloed- of aanverwantschap bestaat, zijn hoofdverblijf heeft, bestaat geen recht op een toeslag. Voor de toepassing van de leden a, b en c van dit artikel geldt de lagere toeslag zowel voor de hoofdbewoner als voor de inwonende.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel