Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 4

Artikel 4

Onderdeel van Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB 2012

1.. De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien het gezin lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. 2.. De bijstandsnorm wordt voor het gezin in wiens woning géén ander zijn hoofdverblijf heeft bepaald op het in art 21 van de WWB genoemde normbedrag. De bijstandsnorm wordt voor het gezin eveneens in principe bepaald op het in art 21 van de WWB genoemde normbedrag indien in de woning hoofdverblijf heeft iemand, waarmee geen bloed- of aanverwantschap bestaat, en in verband met een crisissituatie wordt opgevangen, zolang deze opvang niet langer duurt dan maximaal twee maanden; De bijstandsnorm wordt voor het gezin eveneens in principe bepaald op het in art 21 van de WWB genoemde normbedrag indien men kostganger of onderhuurder is. De bijstandsnorm wordt voor het gezin eveneens voor de duur van maximaal twee maanden in principe bepaald op het in art 21 van de WWB genoemde normbedrag indien men vanwege een crisissituatie bij een ander, waarmee geen bloed- of aanverwantschap bestaat, wordt opgevangen. 3.. De korting als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor het gezin, indien in de woning één ander, waarmee geen bloed- of aanverwantschap bestaat, zijn hoofdverblijf heeft, 10% van het wettelijk minimumloon. De korting als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor het gezin, indien in de woning meer dan één ander, waarmee geen bloed- of aanverwantschap bestaat, zijn hoofdverblijf heeft, 20% van het wettelijk minimumloon.

Rechtspraak bij dit artikel