**1..** Onverlet het bepaalde in artikel 36 van de WWB komt in aanmerking
voor de langdurigheidstoeslag de belanghebbende, die langdurig
(artikel 1, sub i van deze verordening) aangewezen is geweest op een
laag inkomen (artikel 1, sub k van deze verordening) en op de
peildatum niet de beschikking heeft over vermogen (artikel 1, sub n
van deze verordening) en die geen uitzicht heeft op
inkomensverbetering (artikel 1, sub o van deze verordening).
**2..** Ten aanzien van perioden waarin de belanghebbende uitgesloten is
geweest van het recht op bijstand, anders dan als gevolg van de
hoogte van de eigen inkomsten, wordt de belanghebbende geacht
tenminste een inkomen te hebben gehad ter hoogte van 100% van de
voor belanghebbende van toepassing zijnde norm, inclusief
(eventuele) toeslag of verlaging als bedoeld in artikel 21 en
paragraaf 3.3 van de WWB.
**3..** Als een gezin belanghebbende is geldt het eerste en het tweede lid
voor alle gezinsleden van 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar.
Het eerste en tweede lid geldt niet voor gezinsleden van 18 tot 21
jaar.
**4..** De verschillende gezinsleden hebben geen zelfstandig recht op een
langdurigheidstoeslag.
**5..** Bij de vaststelling van het inkomen, als bedoeld in lid 1, wordt een
eerder verstrekte langdurigheidstoeslag conform het gestelde in
artikel 36, lid 2 van de WWB buiten beschouwing gelaten.