Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Verordening Langdurigheidstoeslag 2012

1.. Onverlet het bepaalde in artikel 36 van de WWB komt in aanmerking voor de langdurigheidstoeslag de belanghebbende, die langdurig (artikel 1, sub i van deze verordening) aangewezen is geweest op een laag inkomen (artikel 1, sub k van deze verordening) en op de peildatum niet de beschikking heeft over vermogen (artikel 1, sub n van deze verordening) en die geen uitzicht heeft op inkomensverbetering (artikel 1, sub o van deze verordening). 2.. Ten aanzien van perioden waarin de belanghebbende uitgesloten is geweest van het recht op bijstand, anders dan als gevolg van de hoogte van de eigen inkomsten, wordt de belanghebbende geacht tenminste een inkomen te hebben gehad ter hoogte van 100% van de voor belanghebbende van toepassing zijnde norm, inclusief (eventuele) toeslag of verlaging als bedoeld in artikel 21 en paragraaf 3.3 van de WWB. 3.. Als een gezin belanghebbende is geldt het eerste en het tweede lid voor alle gezinsleden van 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar. Het eerste en tweede lid geldt niet voor gezinsleden van 18 tot 21 jaar. 4.. De verschillende gezinsleden hebben geen zelfstandig recht op een langdurigheidstoeslag. 5.. Bij de vaststelling van het inkomen, als bedoeld in lid 1, wordt een eerder verstrekte langdurigheidstoeslag conform het gestelde in artikel 36, lid 2 van de WWB buiten beschouwing gelaten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel