**1..** Bij de verlening van een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden zoals genoemd in artikel 3.1 van de Verordening worden aan de budgethouder de volgende verplichtingen opgelegd:
de budgethouder gebruikt het persoonsgebonden budget uitsluitend voor de betaling van hulp bij het huishouden en de daarmee verbonden kosten;
7% van het bruto persoonsgebonden budget is vrij besteedbaar, met een minimum van € 100,00 en een maximum van € 750,00 voor het organiseren van de hulp bij het huishouden zonder dat daarover verantwoording behoeft te worden afgelegd;
de voorziening die wordt ingekocht is adequaat en kwalitatief verantwoord;
de budgethouder sluit een schriftelijke overeenkomst met de zorgaanbieder die de hulp bij het huishouden levert. In deze overeenkomst worden tenminste de volgende afspraken opgenomen:
declaraties voor hulp bij het huishouden worden niet betaald indien zij niet binnen 6 weken na de maand waarin de zorg is verleend bij de budgethouder zijn ingediend;
een declaratie van een persoon die aan de budgethouder de hulp bij het huishouden levert, bevat een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het uurtarief, het aantal te betalen uren, het sociaal fiscaal nummer en de naam en het adres van de persoon en wordt door deze persoon ondertekend of
een declaratie van een instantie die aan de budgethouder de hulp bij het huishouden levert, bevat het BTW nummer van die instantie, een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het uurtarief, het aantal te betalen uren en de naam en het adres van de instantie en wordt namens die instantie ondertekend.
de budgethouder bewaart overeenkomsten, nota’s, betalingsbewijzen en declaraties genoemd onder d van dit lid gedurende 5 jaar en stelt deze desgevraagd ter beschikking aan het college;
de budgethouder informeert het college elk jaar over het gebruik van de verleende voorschotten en eventueel eerder verleende voorschotten voor zover deze nog niet voor betalingen als bedoeld in lid 1 onder a waren gebruikt. De budgethouder doet dit binnen 6 weken na 31 december van het voorafgaande jaar en gebruikt daarvoor een door het college vastgesteld formulier;
de budgethouder vult elk jaar, binnen 6 weken na 31 december of aan het einde van de budgetperiode, een door het college vastgesteld formulier in waarop het volgende vermeld staat:
-naam, adres en Burger Service Nummer (BSN) respectievelijk BTW-nummer van de zorgaanbieder;
-het in dat kalenderjaar aan die zorgaanbieder betaalde bedrag.
Dit formulier dient de budgethouder te voegen bij de gevraagde informatie zoals bedoeld onder f van dit lid;
de budgethouder deelt het college op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan het redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de verlening van het persoonsgebonden budget.
Door het college kan worden gecontroleerd of budgethouders aan de verplichtingen genoemd in artikel 3, eerste lid, hebben voldaan.
Artikel 2
Verplichtingen persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden
Onderdeel van Besluit maatschappelijke ondersteuning Gouda 2012