In deze verordening wordt verstaan onder:
A openbare plaats:
een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als
bedoeld onder b;
B weg:
weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
Wegenverkeerswet 1994 ;
1.de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke
pleinen en open
plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere
natuurterreinen,
ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;
2.de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen,
passages en
galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte
toegang geven
en niet afsluitbaar zijn;
3.andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare
stoepen, trappen,
portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen
gedurende de tijd dat zij
niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd
is, zijn
afgesloten.
C openbaar water:
wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk
zijn;
D bebouwde kom:
de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben
vastgesteld
overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet.
E rechthebbende:
degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of
persoonlijk recht;
F bouwwerk:
bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening.
G gebouw:
gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de
Woningwet;
H handelsreclame:
iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk
beoogd wordt een
commercieel belang te dienen.
I kade:
de los- en laadplaatsen en opslagterreinen langs de havens en
aanlegplaatsen
J woonschepen:
11
schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning
bestemd.
K bevoegd gezag:
bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet
algemene bepalingen
omgevingsrecht
HOOFDSTUK 1
Artikel 1:1
Begripsbepalingen
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2011 versie 2