1.Onder openbare inrichting wordt in deze paragraaf verstaan: de
voor het publiek
toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang
alsof zij
bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden
geschonken of rookwaren
of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder
een
horecabedrijf worden in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant,
pension, café,
cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis.
2.Onder openbare inrichting als bedoeld in het eerste lid wordt mede
verstaan een bij dit
bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden.
3.Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de besloten
ruimte van de
inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar zitgelegenheid
kan worden geboden
en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken en/of
spijzen voor
directe consumptie kunnen worden bereid en/of verstrekt.
4.Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die een
openbare inrichting
exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2:46
Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers:
de gezinsleden van de houder, alsmede diens elders
wonende bloed- en
aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met
de derde graad;
b.de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel
438 van het
Wetboek van Strafrecht;
c.de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende
redenen
noodzakelijk is;
d.Een nachtvergunning is een vergunning, waarbij aan de houder van
een
horecabedrijf wordt toegestaan om op zaterdagen, zondagen en
collectieve dagen
tussen 01.30 en 04.00 uur in een horecabedrijf publiek te laten
verblijven.
HOOFDSTUK 2 › AFDELING 7.
Artikel 2:34
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2011 versie 2