1.De waarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het
Besluit gelden niet voor
op ten hoogste zes door de burgemeester en wethouders per
kalenderjaar aan te wijzen
42
collectieve festiviteiten in de daarbij aangewezen gebieden
gedurende de aangewezen
dagen of dagdelen.
2.Burgemeester en wethouders maken de aanwijzing ten minste vier
weken voor het
begin van een nieuw kalenderjaar bekend.
3.Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in bijzondere
omstandigheden een activiteit
buiten de in het eerste lid bedoelde aanwijzing om aan te wijzen als
collectieve
festiviteit.
4.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen voor
het maximale
geluidsniveau als gevolg van de inrichting en voor maatregelen om
het geluidsniveau
te beperken tijdens een collectieve festiviteit.
5.Bij de aanwijzing van collectieve festiviteiten kunnen
burgemeester en wethouders
bepalen dat collectieve festiviteiten slechts gelden voor horeca-,
sport- en recreatieinrichtingen.
HOOFDSTUK 4. › AFDELING 1.
Artikel 4:3
Collectieve festiviteiten
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2011 versie 2