1.. Ondersteuning kan worden geboden door het aanbieden een traject, of door het bieden van praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere instanties

2.. Bij de inzet van re-integratie-voorzieningen wordt gekozen voor de voorziening die beschikbaar is en dat adequaat en toereikend is voor het doel dat beoogd wordt.

3.. Re-integratie-voorzieningen die gericht zijn op de arbeidsinschakeling worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is.

4.. Het college kan een voorziening beëindigen:

a.. indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting van de wet niet nakomt;

b.. indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van de wet;

c.. indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze voorziening;

d.. indien naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling.