Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4. › AFDELING 3

Artikel 4.11

Verbod en vrijstelling voor het vellen van houtopstand

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Goirle 2012

1.. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde gezag houtopstand te vellen of te doen vellen, tenzij voor dit vellen een vrijstelling geldt als omschreven in het tweede lid. 2.. Onverminderd het bepaalde in het derde lid, geldt vrijstelling van het verbod tot het vellen of doen vellen van houtopstand voor: loofbomen met een stamdiameter kleiner dan of gelijk aan 12 cm op 1,3 meter boven maaiveld; naaldbomen en coniferen met een stamdiameter kleiner dan of gelijk aan 20 cm op 1,3 meter boven maaiveld; weg beplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot; vruchtbomen en windschermen om boomgaarden; fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; kweekgoed; houtopstand die elkaar in de groei belemmeren, die bij wijze van dunning moet worden geveld en waar niet meer dan 50% wordt geveld; houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt, die een oppervlakte heeft kleiner dan of gelijk aan 10 are; ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen; houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het college; het knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten; het vellen van erfbeplanting bij agrarische bedrijven, met uitzondering van de boomsoorten beuk, inlandse eik kastanje, paardenkastanje, linde, notenboom en haagbeuk, voor zover deze een stamdiameter hebben groter dan 12 cm op 1,3 meter boven maaiveld; het vellen van houtopstand, als gevolg van het bepaalde in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij het afstandscriterium voor bomen is vastgesteld op 0,5 meter. 3.. Vrijstelling als bedoeld in het tweede lid, onder a, f, h, tweede zinsnede en j geldt niet voor het vellen van houtopstanden, die voorkomen in de openbaregroenstructuren zoals vastgelegd in het Groenstructuurplan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel