Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 1

Artikel 5

Verplichting aanvrager

Onderdeel van Verordening garantstelling gemeente Venray

1.. De aanvrager dient rechtspersoonlijkheid zonder winstoogmerk en een ideële doelstelling te hebben. Dit dient niet alleen te blijken uit de statuten maar ook uit de feitelijke werkzaamheden; een zodanige administratie te voeren, dat daaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen blijken, alsmede de betalingen en ontvangsten; medewerking te verlenen aan onderzoeken die het college in het kader van subsidiëring nodig acht; de medewerking strekt zover als redelijk en naar omstandigheden mogelijk is; onverwijld het college te informeren over alle feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze relevant zijn voor de garantstelling; zijn bezittingen, het in dienst zijnde personeel en de bij de activiteiten betrokken vrijwilligers tegen schade en het risico van wettelijke aansprakelijkheid verzekerd te hebben; ten gunste van de gemeente zekerheid te stellen middels vestiging van een pandrecht op roerende zaken en/of vermogensrechten of het recht van hypotheek op onroerende zaken; geen leningen te verstrekken aan derden, waaronder begrepen bestuurders, vrijwilligers of andere rechtspersonen voorafgaande aan en gedurende de periode van garantstelling, tenminste tot het moment van vaststelling van de subsidie; beschikbare financiële middelen niet risicovol aan te wenden voorafgaande aan en gedurende de periode van garantstelling, tenminste tot het moment van vaststelling van de subsidie. Daarbij kan o.a. gedacht worden aan beleggen, particuliere investeringen, achtergestelde spaarregelingen en buitenlandse rekeningen; indien van toepassing, te beschikken over de benodigde vergunningen voor de investering waarvoor garantstelling wordt gevraagd; indien het college dit noodzakelijk acht, voor eigen rekening, de haalbaarheid van de investering en de toekomstige exploitatie te laten toetsen aan de hand van de financiële jaarstukken en het investeringsplan inclusief bijbehorende prognoses en het college mededeling te doen van de resultaten hiervan; tenminste één andere medegarantsteller dan wel risicodrager naast de gemeente te vinden; behoorlijk bestuurd te worden, zulks ter beoordeling door het college; bij overeenkomsten tot geldlening met een looptijd langer dan vijf jaar geldt een rentevaste periode van minimaal vijf jaar. 2.. Het college is bevoegd om daarnaast uit hoofde van de publieke taak, het algemeen belang of met het oog op het risico van de garantstelling overige verplichtingen op te leggen.

Rechtspraak bij dit artikel