Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 1

Artikel 7

Weigeren subsidie

Onderdeel van Verordening garantstelling gemeente Venray

1.. Subsidie wordt in ieder geval geweigerd indien de doelstellingen, activiteiten, statuten of reglementen van de aanvrager dan wel het beoogd gebruik van de subsidiegelden discriminatie oplevert wegens godsdienst, levensovertuiging, ras, geslacht, seksuele geaardheid of welke grond dan ook, behoudens het onderscheid ter opheffing van maatschappelijke achterstand. 2.. Het verlenen van subsidie kan naast de in artikel 4:25 en artikel 4:35 van de wet genoemde gevallen, geweigerd worden indien naar het oordeel van het college redenen bestaan om aan te nemen dat de activiteiten van de aanvrager waarvoor garantstelling wordt gevraagd niet gericht zijn op de gemeente Venray of niet in belangrijke mate ten goede komen aan de ingezetenen van de gemeente Venray, behalve als dit verklaarbaar is vanuit de regionale centrumfunctie van de gemeente Venray; de subsidieverlening niet past binnen het beleid van de gemeente Venray dan wel de betreffende activiteiten in dat kader onvoldoende dan wel geen prioriteit hebben of niet noodzakelijk geacht worden om het beleidsdoel te bereiken; de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met wetgeving, het algemeen belang of de openbare orde; garantstelling niet noodzakelijk geacht wordt omdat aanvrager, ook zonder garantstelling door het college, over voldoende middelen kan beschikken om de kosten van de activiteiten te dekken; garantstelling niet noodzakelijk geacht wordt omdat door het college andere financieringsmogelijkheden aanwezig geacht worden. Daarbij kan o.a. gedacht worden aan waarborgfonds, fondsenwerving, sponsoring, bijdragen van andere overheden of van particulieren en zelfwerkzaamheid; geen ondertekende, schriftelijke verklaring overgelegd kan worden waaruit blijkt dat tenminste sprake is van één medegarantsteller dan wel risicodrager buiten de aanvrager; de omvang of de looptijd van de lening waarvoor garantstelling wordt gevraagd in onvoldoende mate bepaald is, mede gelet op artikel 7:851 lid 2 BW; naar het oordeel van het college de geldnemer niet in staat wordt geacht om structureel de aflossing en rente te betalen, verschuldigd uit hoofde van de overeenkomst tot geldlening waarvoor garantstelling wordt gevraagd; er voor het overige gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat niet voldaan wordt aan de voorwaarden en verplichtingen die bij of krachtens deze verordening van toepassing (kunnen) zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel