1. De leden van de raad worden benoemd door het college. De leden van de raad die de belangenorganisaties als bedoeld in artikel 7, lid 5 vertegenwoordigen, worden benoemd door het college op voordracht van deze organisaties.
2. De functie van (steun)lid van de gemeenteraad is onverenigbaar met de functie van lid van de raad.
3. De zittingsduur van de leden is, behoudens tussentijds aftreden, gelijk aan de zittingsduur van de gemeenteraad plus drie maanden.
4. De leden treden gelijktijdig af, doch zijn terstond herbenoembaar.
5. Zij blijven hun functie waarnemen, totdat een nieuwe benoeming heeft plaatsgevonden.
6. De benoeming van de leden geschiedt binnen drie maanden na benoeming van de leden van de gemeenteraad.
7. Indien het aantal kandidaten dat zich beschikbaar stelt niet leidt tot het benodigde aantal leden worden cliënten en organisaties schriftelijk benaderd om kandidaten beschikbaar te stellen.
8. Bij vervulling van tussentijdse vacatures worden door een sollicitatiecommissie, gevormd door de voorzitter, de adviseur en maximaal 2 leden van de raad, met kandidaat leden gesprekken gevoerd. De raad draagt, op voorspraak van de verkiezingscommissie, de kandidaat leden voor ter benoeming door het college.
9. De benoeming ter voorziening in tussentijds opengevallen plaatsen geschiedt bij voorkeur binnen drie maanden na het ontstaan van de vacature.
10. Eindigt de hoedanigheid op grond waarvan een lid benoembaar is, dan houdt hij op lid van de raad te zijn.
11. Het college ontslaat de leden van de raad. Indien een meerderheid van de raad van mening is dat een lid zich stelselmatig aan zijn verplichtingen onttrekt kan hij besluiten dat lid voor ontslag voor te dragen aan het college.
12. De cliënten die zitting nemen in de raad zijn gehouden aan de rechten en plichten die onlosmakelijk zijn verbonden met de uitkering.
Hoofdstuk IV
Artikel 8
Benoeming en zittingsduur van de leden
Onderdeel van Verordening cliëntenparticipatie sociale zekerheid Vlaardingen 2012