Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 3 › Paragraaf 1

Artikel 2.3.1.6

Weigerings- en intrekkingsgronden

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening gemeente Sliedrecht 2003

1.. De burgemeester weigert de vergunning als de vestiging en/of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan of met een stadsvernieuwingsplan en/of leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing. 2.. De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt en/of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting door de aanwezigheid van de inrichting nadelig wordt be‹nvloed. 3.. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met: a.. het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen; b.. de aard van de inrichting; c.. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting; d.. de wijze van bedrijfsvoering van de houder van de inrichting in deze of in andere inrichtingen alsmede diens antecedenten. 4.. De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen: a.. indien blijkt dat de vergunning tengevolge van onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend; b.. indien de houder van de inrichting de bepalingen in deze paragraaf, dan wel de voorschriften behorende bij de vergunning, overtreedt; c.. indien aannemelijk is, dat de houder van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; d.. indien de houder strafbare feiten pleegt in de inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd; e.. indien de houder van de inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid; f.. indien zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; g.. indien de exploitatie van de inrichting voor een periode van langer dan zes maanden is of wordt onderbroken, alsmede indien er sprake is van een gewijzigde exploitatie waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd; h.. indien op grond van verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist.

Rechtspraak bij dit artikel