De bepaling inzake het belastingtijdvak moet worden opgenomen indien de gemeentelijke belasting over een bepaald tijdvak wordt geheven.
Eerste lid
In het eerste lid is weer aansluiting gezocht bij de gemeentelijke vergunningverlening. In beginsel is het belastingtijdvak gelijk aan de periode waarvoor de vergunning is verleend. Indien de geldigheidsduur van de vergunning over het kalenderjaar heengaat, is het belastingtijdvak gelijk aan het kalenderjaar. Dit behoeft niet alleen betrekking te hebben op 'jaarvergunningen', maar kan ook een vergunning voor 2 dagen (31 december jaar t en 1 januari jaar (t+1)) of een vergunning voor een aantal maanden betreffen. In elk kalenderjaar waarop de vergunning betrekking heeft, wordt dan een aanslag Precariobelasting opgelegd
over de periode gedurende welke de voorwerpen in dat jaar aanwezig zijn/waren. Vergelijk de uitspraak van Hof Arnhem van 11 februari 2004, nr. 02/01932, LJN: AO6963, Belastingblad 2004, blz. 531 (Kampen).
Als belastingplichtige erin slaagt te bewijzen dat de voorwerpen niet gedurende de gehele geldigheidsduur van de vergunning aanwezig waren of als de gemeente dat uit eigen hoofde bekend is (vergelijk artikel 6, vierde lid), wordt de Precariobelasting berekend over de kortere periode, maar wel wordt opgelegd voor het gehele belastingtijdvak, dat is de geldigheidsduur van de vergunning. Er wordt dan dus één aanslag opgelegd tijdens de geldigheidsduur van de vergunning. Dit is slechts anders indien die geldigheidsduur kalenderjaaroverschrijdend is. In dat geval volgt er per kalenderjaar een aanslag.
Tweede lid
Voor de niet onder het eerste lid te brengen gevallen geldt voor de aaneengesloten periode gedurende welke de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn. Of sprake is van een aaneengesloten periode wordt per kalenderjaar bezien (‘in een kalenderjaar gelegen’). Een ander tijdvak - bijvoorbeeld een maand of een week – is ook mogelijk. Bedacht moet evenwel worden dat per belastingtijdvak maar één aanslag kan worden opgelegd of kennisgeving kan worden gedaan.In zijn arrest van 2 november 1994, nr. 29595, Belastingblad 1994, blz. 819, BNB 1995/12 (Amsterdam), oordeelde de Hoge Raad dat indien de grootte van de belastingschuld eerst na afloop van het belastingtijdvak kan worden vastgesteld en de belastingplicht niet in de loop van het tijdvak eindigt, eerst na afloop van het tijdvak een (definitieve) aanslag kan worden opgelegd. Op grond van de verordening hief de gemeente Amsterdam precariorecht over het tijdvak gelijk aan het kalenderjaar. Aan een aannemer die van 12 februari tot en met 31 maart 1988 een stukje gemeentegrond had gebruikt voor de opslag werd in juli van dat jaar een aanslag die betrekking had op het belastingjaar 1988 voor die periode opgelegd, terwijl zijn belastingplicht door liep. De Hoge Raad oordeelde dat in dat geval ingevolge het systeem van de artikelen 11 tot en met 15 van de AWR pas na afloop van het tijdvak een definitieve aanslag kan worden opgelegd, omdat de grootte van de belastingschuld pas na afloop van het tijdvak kan worden vastgesteld. Nu de aanslag binnen het heffingstijdvak was opgelegd, was aldus de Hoge Raad de aanslag terecht vernietigd. Indien de door het college vastgestelde regeling gemeentelijke belastingen (zie artikel 11) daarin voorziet kan eventueel een voorlopige aanslag worden opgelegd of van een voorlopig gevorderd bedrag worden kennisgegeven. Het is vaste jurisprudentie dat de belastingplichtige de omvang van zijn belastingschuld uit de verordening moet kennen. De regeling omtrent het belastingtijdvak is daarmee niet in strijd, nu deze niet ziet op de omvang van de (materiële) belastingschuld, maar - in combinatie met de regeling van artikel 9 - op het tijdstip waarop die belastingschuld kan worden geformaliseerd.