Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 3:3:1:2

Toelage onregelmatige dienst

Onderdeel van CAR/UWO

Aan de ambtenaar wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van de toelage als bedoeld in artikel 3:3:1:1, een blijvende verlaging ondergaat van tenminste 3% van zijn bezoldiging, wordt een aflopende toelage toegekend, mits hij eerstbedoelde toelage, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage wordt berekend aan de hand van de in het vierde lid genoemde percentages van het 1/24e deel van de totaal door de ambtenaar genoten vergoedingen in de twee kalenderjaren, onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van beëindiging van de toelage onregelmatige dienst. De in het vorige lid genoemde aflopende toelage wordt uitbetaald gedurende een overgangsperiode, die gelijk is aan een vierde gedeelte van de tijd gedurende welke de ambtenaar voormelde toelage onregelmatige dienst heeft genoten, maar ten hoogste 36 maanden. Bij de berekening van het aantal maanden vindt een afronding naar boven plaats op hele maanden. De aldus berekende periode wordt gesplitst in 3 gelijke delen, waarbij het eerste en eventueel het tweede deel naar boven worden afgerond, met dien verstande, dat het totaal aantal maanden niet meer mag bedragen dan dat van de overgangsperiode. De toelage wordt als volgt berekend: 75% van het in het tweede lid bedoelde bedrag gedurende het eerste gedeelte van de overgangsperiode; 50% voor het daarop volgende gedeelte; 25% voor het resterende gedeelte. Aan de ambtenaar van 60 jaar of ouder, wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van de toelage als bedoeld in artikel 3:3:1:1, een blijvende verlaging ondergaat, wordt een blijvende toelage toegekend, mits hij eerstbedoelde toelage, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste tien jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijd van zestig jaar bereikt en hij, onmiddellijk vóór de aanvang van die toelage, gedurende tenminste tien jaren zonder wezenlijke onderbreking een toelage als bedoeld in artikel 3:3:1:1 heeft genoten, over in een blijvende toelage, bedoeld in het vorige lid. Voor de toepassing van de vorige leden wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel