Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.1.3

Voorwaarden en voorschriften

Onderdeel van Beleidsnota inzake het bijzonder gebruik van openbare ruimte

De bevoegdheid tot het stellen van voorwaarden en het verbinden van voorschriften aan de vergunning vloeit niet voort uit de desbetreffende A.P.V.-bepaling (artikel 5.2.3), maar uit artikel 1.9 A.P.V., dat gerubriceerd is in het hoofdstuk betreffende de algemene bepalingen.  Voor het gebruik van deze bevoegdheid wordt daarbij als doelcriterium genoemd: de bescherming van het belang in verband waarmee de vergunning of ontheffing is verleend. Praktisch gezien zijn daarmee de doelcriteria welke verbonden worden aan het gebruik van de weigeringsbevoegdheid, te weten de onder a t/m f van het onderhavige A.P.V.-artikel opgesomde gronden, van toepassing. Rekening houdend met het vorenstaande worden door Burgemeester en Wethouders aan de wijze waarop standplaats dient te worden ingenomen, nadere eisen gesteld, welke op te nemen zijn in vergunningvoorschriften die, onder meer, betrekking hebben op: * aard en omvang van het materiaal waarmee standplaats wordt ingenomen; * uiterlijk aanzien en deugdelijkheid van dat materiaal; dit materiaal mag geen gevaar of onnodige hinder opleveren, dan wel een verwaarloosde indruk maken of naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders niet passen in de omgeving. * aard van het te verkopen product, voor zover het betreft standplaatsen die zich in elkaars onmiddellijke nabijheid bevinden, in die zin dat een standplaatshouder geen producten in zijn assortiment mag hebben die reeds ten verkoop worden aangeboden vanaf een in de nabijheid gelegen andere standplaats waarvoor reeds eerder vergunning is afgegeven. Onder onmiddellijke nabijheid dient hier te worden verstaan: binnen gezichtsafstand van elkaar. Dit beperkend voorschrift strekt ertoe te voorkomen dat er tussen standplaatshouders onderlinge conflicten ontstaan in een vorm en mate die afbreuk kan doen aan de openbare orde. * het schoonhouden van de standplaats en de onmiddellijke omgeving daarvan, alsmede het behoud van gemeentelijke eigendommen die schade zouden kunnen oplopen door het innemen van de standplaats. * het voorkomen of beperken van situaties die gevaar kunnen opleveren. Deze opsomming is niet limitatief; er kunnen dan ook nog andere voorwaarden, ontleend aan het openbare orde-belang, aan de vergunning worden verbonden. Met het oog op de bescherming van de kwaliteit van de openbare ruimte kunnen de eisen daarbij differentiëren al naar gelang de specifieke locatie. Zo zullen de eisen die met name ten aanzien van het uiterlijk aanzien worden gesteld aan het innemen van standplaatsen (en dan in het bijzonder met het materiaal waarmee dit gebeurd), in het Centrum zwaarder zijn dan op andere plaatsen binnen de gemeente. In concreto betekent dit dat het materieel waarmee standplaats wordt ingenomen dient te voldoen aan eisen van welstand die geformuleerd worden door een van gemeentewege in te stellen commissie, waarin zitting hebben: * het lid van het College van Burgemeester en Wethouders tot wiens portefeuille de standplaatsverlening behoort of een door deze aangewezen ander lid (voorzitter) * de direkteur van de sector Stad of een door deze aangewezen ambtenaar, deskundig op het gebied van welstandstoezicht * een vertegenwoordiger van de plaatselijke gevestigde detailhandel * een vertegenwoordiger van de ambulante handel * het hoofd van de afdeling Openbare Orde en Veiligheid of een door deze aan te wijzen ambtenaar (secretaris). Vanwege de naar verwachting lage frequentie van de vergaderingen waarin deze commissie bijeen zal komen, wordt niet gedacht aan een systeem van financiële vergoeding voor de leden. Voorts dient het innemen van standplaatsen beperkt te worden tot bepaalde tijdstippen. Het ligt voor de hand om daarbij in beginsel aansluiting te zoeken bij de feitelijke winkeltijden van de gevestigde detailhandel. Aan het innemen van standplaatsen kunnen niet, dan wel moeilijk, voorwaarden worden verbonden met het oog op de regulering van de aard van het aldaar te verkopen product. In principe worden de grenzen van de huishouding van de gemeentelijke regelgever overschreden indien beoogd wordt om het door de detailhandel aangeboden assortiment te reguleren, ook niet als het oogmerk is de bescherming van de gevestigde detailhandel tegen concurrentie.  Zulks vanwege het beginsel van de vrije vestiging dat ook van toepassing is op de ambulante handel, waaronder de solitaire standplaatsen ressorteren. Een regulering als hier bedoeld is juridisch evenwel toelaatbaar, indien het motief voor de regulering is gelegen in het openbaar orde-aspect. In de praktijk betekent dit dat zelfs regulering met het oog op het beschermen van winkeliersbelangen of consumentenbelangen in zeer extreme situaties mag worden toegepast, bijvoorbeeld indien er sprake is van een verregaande vorm van oneerlijke concurrentie, respektievelijk de standplaats een substantiële bedreiging vormt voor het plaatselijk verzorgingsniveau. Zo heeft de bestuursrechter blijkens jurisprudentie de weigering van een standplaats als rechtmatig geaccepteerd, in geval binnen een bepaalde kern sprake is van een marginaal verzorgingsniveau. Een dergelijke weigering kan daarmee plaatshebben indien de betrokken gevestigde detaillist, die in de aanvraag-procedure als derde belanghebbende wordt aangemerkt, erin slaagt het gemeentebestuur ervan te overtuigen dat door de toekenning van de standplaatsvergunning zijn bedrijfsvoering in gevaar komt vanwege ter plaatse onvoldoende draagkracht. Ook kan een aanvraag worden geweigerd gedurende de periode dat de gevestigde handel in nieuwe winkelcentra met hoge aanloopkosten wordt geconfronteerd. In voorkomende gevallen kan het gemeentebestuur, na zorgvuldige afweging van belangen, een aanvraag dan ook afwijzen, met beroep op het vorenstaande. De voorwaarden waaronder een vergunning wordt verleend, dan wel de aan deze vergunning te verlenen voorschriften worden opgesomd in de bijlage die bij deze nota hoort. Tot de voorwaarden behoort het stellen van een waarborgsom, zonodig te verrekenen in geval van reiniging en herstel van gemeente-eigendom (bestrating) met de kosten daarvan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel