Gedoeld wordt hier op het innemen van een standplaats om muziek ten gehore te brengen. Indien daarbij het publiek wordt gevraagd om een vrije gave, in welke vorm dan ook, wordt aangenomen dat met de aktiviteit het maken van winst wordt beoogd. Overeenkomstig de universele uitgangspunten is in dat geval een financiële vergoeding voor het gebruik verschuldigd. Er zijn geen argumenten om dit uitgangspunt in dit geval niet toe te passen. Tot dusverre is dit gebruik van openbare ruimte evenwel niet in rekening gebracht (afgezien uiteraard van de legeskosten voor de vergunningverlening). De precarioverordening ware op dit punt aan te vullen.
Gelet op het feit dat het publiek een produkt wordt aangeboden dat
* als sfeerverhogend kan worden ervaren
* terwijl het publiek jegens de vergunninghouder geen betalingsverplichting heeft, zijn er termen aanwezig om bij de vaststelling van de hoogte van de op te leggen aanslag een geringer tarief ten grondslag te leggen dan het geval is bij met name de solitaire standplaatsen. De tarieven zijn terug te
vinden in de bijlage horende bij deze nota.
Aan de vergunning worden voorts voorschriften verbonden die onaanvaardbare overlast, hinder of een inbreuk op de openbare orde (waaronder de vrijheid en veiligheid van verkeer) beogen te voorkomen. Zo zal de vergunninghouder die een draaiorgel exploiteert binnen het voetgangersgebied, vanwege het volume en de doordringende aard van het geluid ter voorkoming van onaanvaardbare overlast voor de direct omliggende winkeliers, niet gedurende een dag of een aanmerkelijk deel daarvan op een en dezelfde plek standplaats mogen innemen, maar de verplichting worden opgelegd om zijn orgel na verloop van een nader bepalen tijdsbestek te verplaatsen naar een andere aangewezen plaats.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.7
Standplaatsen voor muzikanten
Onderdeel van Beleidsnota inzake het bijzonder gebruik van openbare ruimte