Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Inleiding

Onderdeel van Beleidsnota prostitutiebeleid

Per 1 oktober 2000 zal de wijziging van artikel 250 bis van het Wetboek van Strafrecht in werking treden. Deze wijziging kan worden beschouwd als resultaat van een jarenlange discussie waarbij met name zowel het recht van vrouwen op seksuele zelfbeschikking als het recht op fysieke en psychische integriteit centraal stond. Daarnaast heeft het feit dat gemeenten in verband met het formeel bestaande bordeelverbod onvoldoende regulerend kunnen optreden tegen prostitutie-activiteiten een belangrijke rol gespeeld bij de overwegingen van de wetgever. Met het opheffen van het algemeen bordeelverbod en het verbod op souterneurschap wordt de gemeenten de mogelijkheid geboden voor de exploitatie van seksinrichtingen een vergunningstelsel te introduceren. Voor de exploitatie van prostitutiebedrijven en andere seksinrichtingen als seksbioscopen en parenclubs, sekswinkels en escortbedrijven kunnen dan bij verordening regels worden gesteld. Gevolg van de wetswijziging is dat de exploitatie van prostitutie in algemene zin niet langer strafbaar is maar slechts de exploitatie van onvrijwillige prostitutie en prostitutie van minderjarigen. Ook de exploitatie van prostitutie door personen zonder geldige verblijfstitel is verboden voorzover bij of krachtens de Vreemdelingenwet dan wel gemeentelijke verordening is bepaald. In de APV zijn in een apart hoofdstuk 3 getiteld “Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.” bepalingen opgenomen die de exploitatie van seksinrichtingen aan regels bindt. Voor die inrichtingen waarvoor een vergunningplicht geldt, worden voorwaarden gesteld aan de wijze van exploitatie (gedragseisen en inrichtingseisen). Daarnaast bieden het bestemmingsplan en leefmilieuverordening de mogelijkheid om vanuit ruimtelijk oogpunt regulerend op te treden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel