Het reguleren van de vormen van prostitutie die niet langer strafbaar zijn heeft de wetgever bewust geen nadere formele wetgeving vastgesteld, doch is dit overgelaten aan de lokale overheid. De gemeentelijke bevoegdheid om daarover bij verordening voorschriften vast te stellen, heeft daardoor een autonoom karakter. Hoewel autonoom, mag de verordenende bevoegdheid slechts betrekking hebben op “de huishouding van de gemeente” en dient de gemeente zich blijkens artikel 108 van de Gemeentewet daarbij te beperken tot de behartiging van belangen die zijn aan te merken als gemeentelijke (openbare) belangen.
Omdat deze belangen openbaar moeten zijn en niet alle prostitutiehandelingen per definitie een openbaar karakter hebben, is in de Gemeentewet een nieuw artikel 151a opgenomen waarin aan de raad expliciet verordenende bevoegdheid wordt toegekend met betrekking tot het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling. De gemeentelijke regelgeving mag bovendien niet treden in regelingen van de hogere wetgever en de grondwettelijk gewaarborgde rechten. De hier voren omschreven beneden- en bovengrens van de huishouding van de gemeente biedt de gemeente voldoende ruimte voor het voeren van een prostitutiebeleid. In het vervolg van deze nota zal per onderdeel worden ingegaan op de wijze waarop deze ruimte ten aanzien van de onderscheidene vormen van prostitutie gestalte kan worden gegeven.