Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
inrichting:
de inrichting bestaande uit één of meer lokaliteiten en
horecalokaliteiten als bedoeld in artikel 1., lid 1, van
de Drank- en Horecawet, met uitzondering van
inrichtingen waar het slijtersbedrijf wordt
uitgeoefend;
een publiek toegankelijke besloten ruimte, bestaande uit
één of meer lokaliteiten waar bedrijfsmatig of anders
dan om niet, al dan niet –mede- door middel van een
automaat, alcoholvrije dranken voor gebruik ter plaatse
en/of warme, direct voor consumptie geschikte eetwaren
en/of rookwaren, al dan niet voor gebruik ter plaatse
worden verstrekt met uitzondering van ruimten, waar de
verstrekking geschiedt krachtens een vergunning of
ontheffing ingevolge de Drank- en Horecawet.
ondernemer: de natuurlijke persoon
of rechtspersoon die een inrichting exploiteert;
leidinggevende: de natuurlijke
persoon (personen), of de natuurlijke persoon (personen) die
bevoegd is (zijn) een rechtspersoon te vertegenwoordigen, van
een inrichting als bedoeld in lid 1. sub 2.;
onmiddellijk leidinggevende: de
natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de
uitoefening van zodanig bedrijf in een inrichting als bedoeld in
lid 1. sub 2.;
sterke drank: de drank, die bij een
temperatuur van twintig graden Celsius voor vijftien of meer
volumeprocenten uit alcohol bestaat, met uitzondering van
wijn;
zwak-alcoholhoudende drank:
alcoholhoudende drank, met uitzondering van
sterke drank;
alcoholvrije drank: de drank die
bij een temperatuur van twintig graden Celsius voor minder dan
een half volumeprocenten uit alcohol bestaat;
speelautomaat: als bedoeld in
artikel 30. onder a. van de Wet op de kansspelen;
behendigheidsautomaat:
als bedoeld in artikel 30. onder b. van de Wet op de
kansspelen;
kansspelautomaat: een
speelautomaat, die geen behendigheidsautomaat is;
hoogdrempelige inrichting: een
inrichting die zowel aan de in artikel 30. onder d. van de Wet
op de kansspelen als de hierna onder lid 13. en 14. gestelde
eisen voldoet;
laagdrempelige inrichting: als
bedoeld in artikel 30. onder e. van de Wet op de
kansspelen;
cafébedrijf: een inrichting als
bedoeld in artikel 30. lid d. onder 20 van de Wet op de
kansspelen en waar, naast het gestelde in artikel 2. van het
Speelautomatenbesluit 1999, geen andere activiteiten
plaatsvinden die op zichzelf staan of in samenhang met andere
activiteiten een zelfstandige betekenis kan worden
toegekend;
restaurantbedrijf: een inrichting
als bedoeld in artikel 30. onder d. onder 20 van de Wet op de
kansspelen en waar geen andere activiteiten plaatsvinden dan het
verstrekken van maaltijden en de daarbij behorende
alcoholhoudende dranken en alcoholvrije dranken, waarbij de
maaltijden onder andere moeten bestaan uit de volgende drie,
niet met elkaar gemengde, bestanddelen: vlees, vis, gevogelte of
wild (eventueel te vervangen door andere bestanddelen, in geval
van een vegetarisch restaurant), groente, rijst, aardappelen of
meelspijzen, waarbij de openingsuren van de inrichting
aansluiten op de openingsuren van de keuken;
Awb: Algemene Wet
Bestuursrecht;
Wet Bibob: Wet bevordering van
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;