Het college kan de uitkeringsgerechtigde met een grote afstand tot de
arbeidsmarkt, die inkomsten uit arbeid geniet waarmee een inkomen wordt
verworven dat minder bedraagt dan de voor de uitkeringsgerechtigde van
toepassing zijnde norm, gedurende 6 aaneengesloten maanden een
vrijlating toekennen als bedoeld in artikle 31, tweede lid, onder o van de wet .