Het college kan vergunning verlenen voor graafwerk en
bodemingrepen in gebieden met een vastgestelde archeologische
waarde en archeologische verwachtingsgebieden.
Vergunning volgens artikel 2.1 eerste lid, sub b van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht, kan slechts worden
verleend indien vooraf door aanvrager van de vergunning door
middel van een rapportage van archeologisch vooronderzoek
conform de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm voor de
Nederlandse Archeologie en een geldig Programma van Eisen naar
het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld dat
bij realisatie van de bodemingrepen:
de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker
gesteld; of
er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
de archeologische waarden niet of niet onevenredig
worden geschaad.
Het college kan aan de verlening van de vergunning de volgende
voorschriften verbinden:
de verplichting tot het treffen van technische
maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen
worden behouden;
de verplichting tot het doen van inventariserend
veldonderzoek of een opgraving;
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring
leidt, te laten begeleiden door een vergunninghoudende
partij op het terrein van de archeologische
monumentenzorg.
De gevraagde vergunning kan worden geweigerd, indien de
archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel
van het college in situ behouden dienen te blijven.
Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor terreinen/gebieden die in
overeenstemming met artikel 3 van de Monumentenwet 1988 zijn
aangewezen als beschermd archeologisch (rijks)monument.
Hoofdstuk
Artikel 15
Vergunning archeologische verwachtingsgebieden
Onderdeel van Erfgoedverordening Oosterhout 2012