Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 15

Vergunning archeologische verwachtingsgebieden

Onderdeel van Erfgoedverordening Oosterhout 2012

Het college kan vergunning verlenen voor graafwerk en bodemingrepen in gebieden met een vastgestelde archeologische waarde en archeologische verwachtingsgebieden. Vergunning volgens artikel 2.1 eerste lid, sub b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, kan slechts worden verleend indien vooraf door aanvrager van de vergunning door middel van een rapportage van archeologisch vooronderzoek conform de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en een geldig Programma van Eisen naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld dat bij realisatie van de bodemingrepen: de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad. Het college kan aan de verlening van de vergunning de volgende voorschriften verbinden: de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van inventariserend veldonderzoek of een opgraving; de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een vergunninghoudende partij op het terrein van de archeologische monumentenzorg. De gevraagde vergunning kan worden geweigerd, indien de archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van het college in situ behouden dienen te blijven. Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor terreinen/gebieden die in overeenstemming met artikel 3 van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen als beschermd archeologisch (rijks)monument.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel