Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt
of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen
laste behoort te blijven, kent de bevoegde overheid hem op zijn
aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe,
indien de schade in relatie staat tot:
een omgevingsvergunning volgens artikel 2.1 eerste lid onder a t/m c en
artikel 2.2 eerste lid onder a en b , lid van de
Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht;
de weigering daarvan in het belang van de archeologische
monumentenzorg;
de voorschriften die in het belang van de archeologische
monumentenzorg aan het desbetreffende besluit zijn
verbonden onder a. (artikel 42 Monumentenwet 1988).
de veroorzaakte schade door een maatregel als bedoeld in
artikel 57, tweede lid Monumentenwet
1988.
Voor de behandeling van de verzoeken zijn de bepalingen van de
verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van
artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening van overeenkomstige
toepassing.