Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
Medewerker: de medewerker in de zin van artikel 1:1 lid 1 van de CAR;:
Eerste beoordelaar: de direct leidinggevende van de ambtenaar, die namens het bevoegd gezag de beoordeling vaststelt.
Tweede beoordelaar: de direct leidinggevende van de eerste beoordelaar of, als deze geen direct leidinggevende heeft, een nader door het bevoegd gezag aan te wijzen persoon.
Informant: een persoon die een functionele werkrelatie met de medewerker heeft en waardevolle informatie kan verstrekken aan de beoordelaar over het functioneren van de medewerker.
Bevoegd gezag: het college (tenzij plaatselijk door mandaat anders is bepaald).
Beoordelingsperiode: de periode waarover de beoordeling plaatsvindt.
Beoordeling: het oordeel dat de eerste beoordelaar opstelt n.a.v. gemaakte kwantitatieve en kwalitatieve resultaatafspraken met de medewerker, met betrekking tot de vastgestelde beoordelingsperiode.
Beoordelingsformulier: de via een formulier schriftelijk vastgelegde beoordeling.
Beoordelingsgesprek: het jaarlijks terugkerend gesprek waarin de eerste beoordelaar de beoordeling kenbaar maakt aan de medewerker.
Beoordelingscore:
Goed: de resultaten van de medewerker overtreffen de gestelde eisen.
Voldoende: de resultaten van de medewerker voldoen aan de gestelde eisen.
Matig: de resultaten van de medewerker voldoen niet geheel aan de gestelde eisen.
Onvoldoende: de resultaten van de medewerker voldoen niet aan de gestelde eisen.