Het persoonsgebonden budget is één van de wijzen waarop een individuele voorziening kan worden verstrekt. Onder het persoonsgebonden budget valt ook de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, lid 1, Wet op de loonbelasting 1964. Dit betreft de vergoeding voor het inschakelen van een alfahulp in het kader van hulp bij het huishouden. Deze vergoeding is in feite een bijzondere vorm van het persoonsgebonden budget (zie ook Besluit art.6).Met een persoonsgebonden budget moet een ondersteuningsvrager de benodigde individuele voorziening zelf aanschaffen. Het te bereiken resultaat en de eisen waaraan de voorziening moet voldoen, wordt in de beschikking vastgelegd. Ook wordt in de beschikking altijd aangegeven of de voorziening, die met het persoonsgebonden budget wordt aangeschaft, in eigendom van de ondersteuningsvrager komt of dat deze in bruikleen wordt verleend. De wijze waarin, eigendom of bruikleen, de voorziening namelijk wordt verleend, bepaald de termijn waarover een eigen bijdrage van de ondersteuningsvrager gevraagd kan worden (zie ook Besluit art.3). Voor een persoonsgebonden budget wordt een eigen bijdrage van de ondersteuningsvrager gevraagd. In de beschikking wordt de eigen bijdrage door de gemeente slechts aangekondigd. Dit omdat de berekening en inning plaats zal vinden via het Centraal Administratie Kantoor, zoals op grond van artikel 16 van de wet is bepaald.
Overwegende bezwarenIn principe komt iedere burger met een positieve beoordeling op de aanvraag voor een individuele voorziening in aanmerking voor een persoonsgebonden budget. Op deze regel zijn echter uitzonderingen mogelijk. De uitzonderingen zullen steeds individueel beoordeeld en gemotiveerd worden. Zo is in de parlementaire behandeling van de wet aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn, met name als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan. Verder heeft in een Algemeen Overleg over een aan de Wmo verwante zaak, het bovenregionale vervoer Valys, de Tweede Kamer op 29 maart 2006 uitgesproken dat deze regel ook niet bedoeld is om goed draaiende systemen, zoals bijvoorbeeld collectief vervoerssystemen, in gevaar te brengen. Als bijvoorbeeld in plaats van collectief vervoer (voorziening in natura) een persoonsgebonden budget zou moeten worden verstrekt, zou de mogelijkheid bestaan dat door een leegloop van het collectief vervoer de basis onder dit vervoer uit zou vallen. Voor diegenen die afhankelijk zijn van collectief vervoer zou zo een voorziening wegvallen. Daarom is in artikel 18, lid 3 van de verordening ook het primaat van het collectief vervoer opgenomen.
Het verstrekken van een persoonsgebonden budget vindt niet plaats, indien:
de voorziening een algemene voorziening betreft;
er sprake is van hulp bij het huishouden met een looptijd tot 3 maanden;
er met het budget een mantelzorger gefinancierd wordt of gaat worden;
op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de ondersteuningsvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget;
het woonvoorzieningen zijn die uitsluitend in natura worden verstrekt. Deze zijn: mobiele tilliften (inclusief staliften), losse douchestoelen, douchebrancards, toiletstoelen, badliften en transferhulpmiddelen.
Ad a.Een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien van individuele voorzieningen. Dit gelet op artikel 6, lid 1 van de wet en de parlementaire behandeling.
Ad b.Een persoonsgebonden budget wordt bij hulp bij het huishouden alleen verstrekt indien deze voorziening langdurig noodzakelijk is, zie artikel 23, lid 1, sub b van de verordening.
Ad c.Een mantelzorger behoort tot het inzetten van de eigen mogelijkheden / eigen netwerk en is daarmee voorliggend als oplossing ten opzichte van een individuele voorziening zoals een persoonsgebonden budget. Uiteraard dient bij de aanvraag van een persoonsgebonden budget wel goed onderzocht te worden welke taken de mantelzorger kan, niet kan en/of deze eventueel mantelzorgondersteuning nodig heeft.
Ad d.Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien:
de ondersteuningsvrager wilsonbekwaam is, tenzij hij wordt vertegenwoordigd door een persoon;
de ondersteuningsvrager verzoekt in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget geen inzicht heeft in zijn functionele beperkingen, tenzij hij wordt vertegenwoordigd door een persoon;
de ondersteuningsvrager die verzoekt in aanmerking te komen voor een Pgb over onvoldoende organisatie- en regelvermogen en verantwoordelijkheidsbesef beschikt, tenzij hij wordt vertegenwoordigd door een persoon;
de ondersteuningsvrager door dementie, een verstandelijke handicap, of ernstige psychische problemen over onvoldoende inzicht beschikt, tenzij hij wordt vertegenwoordigd door een persoon;
de ondersteuningsvrager niet in staat is de voorzieningen bij een leverancier uit te kiezen, aan te kopen en zorg te dragen dat de voorziening gedurende de looptijd van het persoonsgebonden budget in goede staat in gebruik kan blijven;
er sprake is van grote financiële problemen bij de ondersteuningsvrager, tenzij op ondersteuningsvrager financieel toezicht wordt uitgeoefend door bijvoorbeeld het algemeen maatschappelijk werk, een gemeentelijke kredietbank of een bewindvoerder;
eerder bij controle is gebleken dat de ondersteuningsvrager het persoonsgebonden budget heeft aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze was verstrekt.
Ad e.Bepaalde roerende woonvoorzieningen worden uitsluitend in natura aangeboden om te voorkomen dat er sprake zal zijn van kapitaalvernietiging. Deze verstrekking en het niet bieden van een keuze voor een persoongebonden budget hangt samen met het vormen van een depot en de daarmee samenhangende herverstrekking.
Naast bovengenoemde redenen kan het ook voorkomen dat bij een ondersteuningsvrager met een zeer progressief ziektebeeld al op voorhand vast staat dat binnen niet al te lange tijd de te verstrekken voorziening vervangen zal moeten worden door een andere voorziening. En wellicht daarna weer. Het moge duidelijk zijn dat deze situatie zich ook niet leent voor een persoonsgebonden budget, omdat al vaststaat dat de voorziening maar een beperkte tijd bruikbaar zal blijven.
Kwaliteit en technische levensduur
De budgethouder, diens vertegenwoordiger of gemachtigde, is zelf verantwoordelijk voor het inkopen van ‘kwalitatief goede zorg’, hulp, begeleiding en/of voorzieningen. Wel vallen bepaalde ‘voorbehouden handelingen’ onder de regels van de wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg (wet BIG). Die handelingen mogen alleen uitgevoerd worden door mensen die daartoe bevoegd en bekwaam zijn. Het gaat hierbij met name om verpleegkundige handelingen. Daarnaast wordt, indien van toepassing en als bedoeld in artikel 23, lid 2, sub a van de verordening, bij de beschikking een programma van eisen verstrekt. Dat de budgethouder zelf verantwoordelijk is voor de kwaliteit, betekent dat deze de gemeente hierop niet kan aanspreken. De gemeente is in dit geval immers geen opdrachtgever van de dienstverlener of koper, dat is de budgethouder zelf.Voor veel voorzieningen geldt dat deze een technische levensduur van gemiddeld 5 tot 7 jaar hebben. Elke voorziening die met behulp van een persoonsgebonden budget of in natura is verstrekt dient dus 5 tot 7 jaar mee te gaan (afhankelijk van de voorziening). Bij een Wmo-voorziening is de technische levensduur vaak langer dan dat een ondersteuningsvrager er gebruik van kan maken of maakt. Zo kan de budgethouder dus een budget voor een rolstoel hebben waar hij vijf jaar mee moet doen, maar na twee jaar door andere of verergerde beperkingen al een nieuwe rolstoel nodig hebben. Het budget is echter op. De gemeente heeft nog steeds een compensatieverplichting. Vervanging of tussentijdse aanpassingen van het met behulp van het persoonsgebonden budget gekochte voorziening is alleen toegestaan op grond van medische noodzaak. In het geval dat de toestand van de ondersteuningsvrager achteruit is gegaan en dus een nieuwe rolstoel geïndiceerd is, wordt bekeken of er nog een restant van het eerste persoonsgebonden budget voor de aanschaf van de nieuwe rolstoel over is. Indien dit het geval is, wordt dat van het nieuwe toe te kennen budget afgetrokken. Indien de ondersteuningsvrager geen restant van het eerste persoonsgebonden budget meer over heeft, dient de gemeente een nieuw budget of verstrekking in natura te verstrekken. In dergelijke situaties wordt overigens door de gemeente altijd nagegaan of de ondersteuningsvrager een rolstoel heeft aangeschaft conform het programma van eisen dat in de beschikking is vermeld. Indien dit niet het geval is, ligt de verantwoordelijkheid bij de ondersteuningsvrager zelf en wordt er dus niet een nieuw persoonsgebonden budget verstrekt.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.6
Persoonsgebonden budget
Onderdeel van Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Aalten 2012