Voor het realiseren van het resultaat “wonen in een geschikt huis”, kan het college een financiële tegemoetkoming of forfaitaire vergoeding inzetten.
* Als een ondersteuningsvrager aantoonbare beperkingen ondervindt bij het normale gebruik van zijn woning en het voeren van een huishouden kan het college een forfaitaire vergoeding voor verhuizing en inrichting verstrekken (zie Besluit art.14 onder a). Ook kan deze vergoeding verstrekt worden aan een persoon die op verzoek van de gemeente en ten behoeve van een ondersteuningsvrager zijn woonruimte, bestemd voor permanente bewoning, ontruimd. Bij de beoordeling of de ondersteuningsvrager in aanmerking komt voor deze forfaitaire vergoeding worden de voorwaarden/weigeringsgronden van artikel 13, lid 5 van de verordening meegenomen.
Primaat verhuizing
Onder het primaat van verhuizen wordt verstaan dat de verlening van de voorziening van verhuizing en inrichting voorrang heeft op andere woonvoorzieningen. De achterliggende gedachte bij het primaat van verhuizing is dat er zo efficiënt mogelijk met de beschikbare middelen en de woningvoorraad wordt omgegaan (goedkoopst compenserende voorziening). In de jurisprudentie is het hanteren van het primaat van verhuizing op zichzelf geaccepteerd. Wel zal de gemeente moeten onderzoeken of in het concrete geval het primaat een voorziening is die voldoet aan de in artikel 4, lid 1 van de wet bedoelde compensatieplicht. Het onderzoek zal zich moeten richten op de beperkingen van de ondersteuningsvrager, de bouw- en woontechnische kenmerken van zijn woning en alle andere voor die beoordeling relevante feiten en omstandigheden. Het college zal deze feiten en omstandigheden moeten inventariseren en moeten nagaan hoe de voorliggende verhuizing naar een passende woning dan wel een woningaanpassing zich verhoudt tot de kenmerken van de ondersteuningsvrager, zijn beperkingen en zijn woonbehoeften, een en ander tegen de achtergrond van de vraag welke woonvoorziening in het concrete individuele geval leidt tot het behouden of het bevorderen van de zelfredzaamheid van de ondersteuningsvrager en zijn deelname aan het maatschappelijke verkeer.Bij de belangenafweging die het college moet maken gelden nog meer aspecten. Enkele aspecten zijn:
De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen. Overzicht hierover en of dergelijke woningen leeg of bewoond zijn, is van belang voor zowel de hoogte van de kosten (wel of niet extra kosten voor vrijmaken van de woning) en de medewerking van bewoners;
Kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen. Bij het maken van een kostenvergelijking moeten alle kosten worden betrokken. Dat houdt in dat de aanpassingskosten van de huidige woning afgezet moeten worden tegen de financiële tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting, het eventueel aanpassen van de nieuwe woning, het eventueel vrijmaken van de nieuwe woning en een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving;
Volkshuisvestelijke afwegingen. Ook belangen op het gebied van huisvesting kunnen een rol spelen. Als een aangepaste woning beschikbaar is, kan het ondoelmatig zijn om tevens een andere woning aan te passen. Niet alle aangepaste woningen zullen even goed verhuurbaar zijn;
De snelheid waarmee het woonprobleem opgelost kan worden. Bij de afweging om het primaat van verhuizing toe te passen, kunnen omstandigheden in een concreet geval de realisering van het primaat belemmeren. Een belangrijk aspect is de termijn waarbinnen de verhuizing kan plaatsvinden en of die termijn medisch aanvaardbaar is. Indien binnen de medisch aanvaardbare termijn geen woning beschikbaar is, is de verhuizing niet de compenserende oplossing;
Sociale omstandigheden. De binding die de ondersteuningsvrager heeft met de buurt waarin hij woont, de aanwezigheid van familie en/of vrienden, de mantelzorg die door verhuizing mogelijk zou wegvallen en de aanwezigheid en afstand tot verschillende voorzieningen als winkels spelen een rol bij de belangenafweging. Natuurlijk kan de nieuwe woning ook nieuwe sociale omstandigheden inkleden. De nadruk ligt dan ook meer op het zelfstandig blijven wonen dan op het blijven wonen in exact dezelfde woonomgeving;
Integrale afweging verschillende Wmo-voorzieningen. Voor het maken van de keuze tussen verhuizing of aanpassing is ook de afstemming met overige voorzieningen van belang. Vooral de afstemming met eventuele vervoersvoorzieningen kan van groot belang zijn. Hoe is de afstand tot het openbaar vervoer en de aanwezigheid als winkels, ziekenhuizen etc.? Als een woning dicht bij dergelijke voorzieningen ligt, kan het adequater en goedkoper zijn om de huidige woning aan te passen dan de ondersteuningsvrager te laten verhuizen;
De werksituatie. Verhuizing kan tot gevolg hebben dat de ondersteuningsvrager dichter bij zijn werk kan komen te wonen. Echter andersom kan ook. Als de ondersteuningsvrager zijn werk "aan huis" heeft (eigen be¬drijf), dienen de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant meegewogen te worden. Het is immers mogelijk dat de vestiging van het bedrijf op een andere, in commercieel opzicht minder aantrekkelijke, locatie negatieve gevolgen voor het inkomen uit eigen bedrijf kan hebben;
De woonlastenconsequenties. Het college zal bij de afweging ook rekening houden met de woonlastenconsequenties van de verschillende opties. Daarbij moet een vergelijking worden gemaakt tussen de woonlasten bij het aanpassen van en blijven wonen in de huidige woning en het verhuizen naar een andere woning. Daarbij geldt dat de financiële gevolgen van een verhuizing binnen aanvaardbare grenzen moeten vallen;
Is de ondersteuningsvrager huurder of eigenaar van de woning. Bij het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de orde dan bij het verlaten van een huurwoning. Een aantal aspecten zal pleiten voor het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning doen doorslaan. Een punt betreft de vraag in hoeverre vermogenswinsten of -verliezen optre¬den. Een eigenaar heeft doorgaans geld ge¬leend en/of een hypotheek op het huis. Ook indien de aanvrager, al dan niet geheel op eigen kosten, veel aan de woning heeft verbeterd of aanpassingen heeft getroffen, ligt verhuizing soms minder voor de hand. Als de financiële situatie van een eigenaar van een woning, die gehandicapt raakt, door zijn handicap drastisch verandert (doorgaans brengt een handicap negatie¬ve inkomensgevolgen met zich mee), kunnen moeilijkheden optreden met het opbren¬gen van de woonlasten van de eigen woning, en zal de aanvrager ook problemen hebben met verhuizen;
De wil van de ondersteuningsvrager om te verhuizen. Vaak zal een aangeboden mogelijkheid te verhuizen naar een andere woning door de aanvrager als negatief worden beoordeeld: vaak zal men graag willen blijven wonen in de vertrouwde woning. Als de bovenomschreven afweging in het voordeel van verhuizing uitvalt, is die wens niet meer doorslaggevend. Dat heeft gevolgen voor het weigeren van aangeboden geschikte woningen. Na weigering beoordeelt het college of er van uit kan worden gegaan dat voldoende is gedaan om een compenserende oplossing te bieden. Dit wordt afgemeten aan de oorzaak voor het weigeren.
* Financiële tegemoetkoming voor aanpassingen aan woonwagens worden verleend indien de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal 5 jaar is en de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt. Verder moet de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag op de standplaats staan en de hoofdbewoner in het bezit zijn van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet. Indien de technische levensduur van de woonwagen minder dan vijf jaar is of de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt, is de financiële tegemoetkoming beperkt tot een maximaal bedrag. Dit bedrag is vastgelegd in het Besluit art.14 onder b.
* Voor zover een woningaanpassing betreft het uitbreiden van een bestaande woning, dan wel het groter bouwen van een nieuw te bouwen woning dan zonder de voorziening nodig zou zijn, kan het college een bijdrage verlenen voor de extra te verwerven grond die ten hoogste overeenkomt met de bijdrage voor het aantal vierkante meters per vertrek en een gedeelte van de buitenruimte bij de woning (zie Besluit art. 15). Het college kan tevens een financiële tegemoetkoming verlenen voor het verharden van nieuwe, of aan het aanpassen van de verharding van bestaande paden en terrassen, voor ten hoogste het aantal vierkante meters, zoals vastgesteld in het Besluit art. 15.
* Het aanpassen van woningen brengt vaak hoge kosten met zich mee. De gemeente heeft er daarom belang bij dat eenmaal aangepaste woningen blijvend beschikbaar zijn voor personen met beperkingen of problemen. Het kan voorkomen dat een huurwoning die vrij komt niet direct verhuurd kan worden aan een andere persoon met beperkingen of problemen voor wie de woning geschikt is. Ter compensatie van de huurderving kan het college aan de verhuurder een financiële tegemoetkoming (zie Besluit art. 14 onder c) verlenen als de woonruimte door de gemeente is aangepast voor meer dan € 7.500,-. De huurderving geldt niet voor de maand waarin de woning vrijkomt.
* In die gevallen waarin de ondersteuningsvrager tijdens het aanbrengen van woonvoorzieningen redelijkerwijs niet in de (aan te passen) woonruimte kan blijven wonen en om deze reden tijdelijk naar een andere woonruimte moet uitwijken, kan het college voor de periode dat dit noodzakelijk is een financiële tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting verstrekken. Ook in die gevallen waarin de ondersteuningsvrager langer de huidige woonruimte moet aanhouden in verband met aanpassingen in een nog te betrekken woonruimte, kan het college voor de periode dat dit noodzakelijk is een financiële tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting verstrekken. De maximale termijn dat een tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting wordt verstrekt is 4 maanden. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van het betrekken en/of langer aanhouden van een zelfstandige- of niet zelfstandige woonruimte (zie Besluit art. 14 onder d en e).
* Voorzieningen zijn, met name om ervoor te zorgen dat ze adequaat blijven, onderhevig aan onderhoud en, indien nodig, reparatie. Het onderhoud aan, keuring van en/of reparaties aan technisch ingewikkelde installaties, zoals trapliften, elektrische rolstoelen of scootmobielen, komen in aanmerking voor vergoeding. Het college kan een financiële tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en/of reparatie (zie Besluit art. 14 onder f) verlenen indien de voorziening in het kader van de verordening is verleend en, bij woonvoorzieningen, indien de ondersteuningsvrager ten tijde van het onderhoud, keuring of reparatie de woonruimte als hoofdverblijf bewoont.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.7
Financiële tegemoetkoming of forfaitaire vergoeding
Onderdeel van Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Aalten 2012