De uitkeringsperiode voor de toelage is gelijk aan het naar boven op een maand afgeronde één vierde gedeelte van de tijd, gedurende welke de ambtenaar, direct voorafgaande aan het tijdstip van de in artikel 14, eerste lid, van de Bezoldigingsregeling bedoelde blijvende verlaging van de bezoldiging, zonder wezenlijke onderbreking toelage onregelmatige dienst heeft genoten.
Aan de uitkeringsperiode voor de toelage is een maximum verbonden van drie jaar.