De hoogte van de toelage wordt bepaald door de uitkeringsperiode voor de toelage in drie gelijke delen te splitsen, waarbij te beginnen met het eerste deel, afronding naar boven plaatsvindt op een hele maand, met dien verstande, dat hierdoor de ingevolge artikel 3 vastgestelde totale duur van de uitkeringsperiode van de toelage niet mag worden overschreden.
Gedurende deze drie deelperioden bedraagt de toelage achtereenvolgens 75%, 50% en 25% van de voor de desbetreffende maand(en) van toepassing zijnde berekeningsbasis.