Naar de inhoud
Derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op roerende zaken waarop ter zake van een belastingschuld beslag is gelegd, kunnen een beroepschrift richten tot de directeur, mits zulks doende vóór de verkoop en uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen van de dag der beslaglegging. Het beroepschrift wordt ingediend bij de invorderingsambtenaar, tegen een door deze af te geven ontvangbewijs. De directeur neemt zo spoedig mogelijk een beslissing. De verkoop mag niet plaatshebben, dan acht dagen na de betekening van die beslissing aan de reclamant en aan degene tegen wie het beslag is gelegd, met nadere bepaling van de dag van verkoop.
Door het indienen van een beroepschrift op de voet van het eerste lid, verliest de belanghebbende niet het recht om zijn verzet voor de burgerlijke rechter te brengen.
Behoudens in het geval dat er een recht van terugvordering bestaat jegens degene die een zaak onrechtmatig of van een onbevoegde heeft verkregen, kunnen derden echter nimmer verzet in rechte doen tegen de beslaglegging ter zake van naheffingsaanslagen in:
de loonbelasting ten laste van inhoudingsplichtigen met uitzondering van naheffingsaanslagen ter zake van huispersoneel;
de omzetbelasting, alsmede belasting van personenauto's en motorrijwielen ten laste van een ander dan degene op wiens naam het kenteken is gesteld;
de accijns;
de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en snuiftabak;
de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen;
de dividendbelasting;
de kansspelbelasting ten laste van inhoudingsplichtigen:
de assurantiebelasting; en
de beursbelasting, alsmede tegen de beslaglegging ter zake van:
uitnodigingen tot betaling; en
ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikkingen inzake heffingsrente, inzake bestuurlijke boeten die worden opgelegd in verband met vorenbedoelde naheffingsaanslagen, inzake bestuurlijke boeten als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Douanewet, inzake compenserende rente of inzake kosten van ambtelijke werkzaamheden, indien de ingeoogste of nog niet ingeoogste vruchten, of roerende zaken tot stoffering van een huis of landhoef, of tot bebouwing of gebruik van het land, zich tijdens de beslaglegging op de bodem van de belastingschuldige bevinden.
Gelet op de inhoud van het derde lid van artikel 22 blijft dit lid buiten toepassing voor gemeenten.
§ 1 Inleidende opmerkingen Werkingssfeer van het artikel 1 Derden die de eigendom pretenderen van in beslag genomen roerende of onroerende zaken, kunnen hun rechten op die zaken op de voet van artikel 456, onderscheidenlijk 538 e.v. Rv geldend maken. Ook op grond van artikel 435 Rv kunnen derden zich tegen het beslag verzetten. Onafhankelijk hiervan kunnen derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op roerende zaken waarop terzake van een belastingschuld beslag is gelegd hun bezwaren tegen de executie van die zaken in de administratieve sfeer door middel van een beroepschrift voorleggen aan het college van burgemeester en wethouders. Met derden worden hier niet alleen bedoeld degenen die zich op een eigendomsrecht beroepen, maar ook degenen die een beperkt recht op de zaak menen te hebben. Voorzover de bezwaren betrekking hebben op roerende zaken en op de voet van artikel 22, eerste lid, van de wet worden ingebracht, wordt de executie door het beroepschrift van rechtswege opgeschort. Overbetekening beslag 2 Op grond van artikel 435, derde lid, Rv is de invorderingsambtenaar, als hij bekend is met de omstandigheid dat zaken in eigendom toebehoren aan een derde, verplicht bij beslaglegging op die zaken, dit beslag binnen acht dagen na de beslaglegging aan die derde te doen betekenen. Bij de betreffende overbetekening moet de derde schriftelijk worden gemeld dat hij de mogelijkheid heeft een beroepschrift tegen de inbeslagneming te richten aan het college van burgemeester en wethouders. Dit beroepschrift moet uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen vanaf de dag der beslaglegging, bij de invorderingsambtenaar worden ingediend. De invorderingsambtenaar gaat onverwijld tot betekening aan de derde over als hij op enig later tijdstip, maar voor de geplande verkoopdatum, kennis krijgt van het feit dat de in beslag genomen zaken eigendom zijn van die derde. Als tussen het moment van de betekening aan de derde en de vastgestelde verkoopdatum minder dan acht dagen zijn gelegen, gaat de invorderingsambtenaar over tot het vaststellen van een nieuwe verkoopdatum. Verzet artikel 435, derde lid, Rv 2a Na overbetekening van het beslag als bedoeld in het tweede lid kan de derde (naast de mogelijkheid tot het indienen van een beroepschrift: zie het tweede lid en § 5 van deze leidraad) op grond van artikel 435, derde lid, Rv binnen acht dagen na die betekening schriftelijk aan de belastingdeurwaarder kenbaar maken zich tegen het verhaal op zijn zaak te verzetten. In alle gevallen waarin door de derde, aan wie de zaken in eigendom toebehoren, verzet wordt gedaan ex artikel 435, derde lid, Rv, krijgt het beslag door het indienen van de in dat lid bedoelde schriftelijke mededeling, voor de in die mededeling genoemde zaken, een conservatoir karakter waardoor de executie van die zaken wordt opgeschort. De belastingdeurwaarder zendt de door hem ontvangen schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv onverwijld door naar de invorderingsambtenaar die de beslagopdracht heeft verstrekt. De andere in beslag genomen zaken, tegen de inbeslagneming waarvan geen verzet is gedaan, worden op de vastgestelde verkoopdatum verkocht. Indien uit het verzetschrift ex artikel 435, derde lid, Rv blijkt dat de derde geen eigenaar is van de in dat verzetschrift genoemde zaken of voor de invorderingsambtenaar anderszins evident duidelijk is dat de derde geen eigenaar is van de betreffende zaken, vindt executie van die zaken in beginsel normaal doorgang. 3 n.v.t. 4 n.v.t. Pauliana 5 Ook zonder toepassing van het bodemrecht en afgezien van aansprakelijkheid van derden kan het mogelijk zijn belasting te verhalen op zaken die aan een derde zijn overgedragen, namelijk als de invorderingsambtenaar wordt geconfronteerd met een situatie waarin hij door één of meer rechtshandelingen in zijn verhaalsmogelijkheden wordt benadeeld. De invorderingsambtenaar kan alsdan deze rechtshandeling(en) vernietigen met een beroep op de Pauliana. Daarbij geldt het bepaalde in artikel 3:45 e.v. BW. Als de invorderingsambtenaar een zodanig beroep nodig acht, behoeft niet vooraf een rechterlijke beslissing te worden uitgelokt, maar gaat hij over tot beslaglegging op die zaken die door de rechtshandeling buiten het verhaalsbereik van hem zijn gebracht. De buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, die vereist is, kan in het beslagexploot zelf worden opgenomen. Voorts dient een verklaring tot vernietiging ook tot de andere bij de rechtshandeling betrokken partijen te worden gericht. 6 n.v.t.
7.
n.v.t. § 2 Verzet in rechte Opschorting verkoop na verzet in rechte 1 De invorderingsambtenaar gaat ervan uit dat een verzet op de voet van artikel 456 Rv of artikel 538 e.v. Rv tegen de verkoop van roerende dan wel onroerende zaken de voortgang van de executie niet van rechtswege opschort. Niettemin zal de invordering in het algemeen worden opgeschort en zullen geen onherroepelijke maatregelen worden genomen, tenzij van de verzetprocedure louter gebruik wordt gemaakt om de invordering te traineren. Door de conservatoire werking van het verzet ex artikel 435, derde lid, Rv vindt voor de desbetreffende zaken automatisch opschorting van de verkoop plaats totdat een executoriale titel is verkregen. § 3 en 4 zijn niet van toepassing § 5 Het beroepschrift ex artikel 22 van de wet en de schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid Rv Beroepschrift algemeen 1 Het beroepschrift ex artikel 22 van de wet moet worden ingediend bij de bevoegde invorderingsambtenaar. Een beroepschrift kan niet meer worden ingediend als het beslag is opgeheven of vervallen, bijvoorbeeld omdat de inbeslaggenomen zaken inmiddels zijn verkocht of de belastingschuldige failliet is verklaard en het gaat om bezitloos verpande zaken die door het faillissement weer in de boedel vallen. Wordt desalniettemin toch een beroepschrift ingediend, dan zal dit beroepschrift door het college van burgemeester en wethouders over het algemeen in verband met termijnoverschrijding niet ontvankelijk worden verklaard en niet in behandeling worden genomen, gelet op het feit dat het beslag niet meer ligt. 2 n.v.t. Taak van de invorderingsambtenaar met betrekking tot beroepschrift ex artikel 22 van de wet 3 Een beroepschrift dat te laat is ingediend, maar dat betrekking heeft op een beslag dat nog steeds ligt, zal door het College van burgemeester en wethouders niet ontvankelijk worden verklaard, tenzij het College van oordeel is dat de indiener niet in verzuim is geweest. Een in verband met te late indiening niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift, zal het College, ambtshalve in behandeling nemen. In dat geval wordt de executie van desbetreffende zaken, indien redelijkerwijs nog mogelijk, opgeschort. De invorderingsambtenaar prolongeert, ongeacht de eventuele wettelijke noodzaak daartoe, in het algemeen eveneens indien een tijdig ingediend beroepschrift niet op alle in beslag genomen zaken betrekking heeft. Als de belanghebbende zich, voordat hij een beroepschrift indient of een procedure aanspant, met zijn bezwaren tot de invorderingsambtenaar wendt, wijst deze de belanghebbende voor zoveel nodig op de mogelijkheid een beroepschrift tot het college van burgemeester en wethouders te richten. Als de invorderingsambtenaar in dit stadium met de belanghebbende tot een oplossing kan komen, verdient dit uiteraard aanbeveling. In geval van leasing geldt echter dat de opheffing van een beslag door de invorderingsambtenaar in dat geval niet plaatsvindt dan na overleg met het college van burgemeester en wethouders. Komt de invorderingsambtenaar na de indiening van een beroepschrift tot de slotsom dat ten onrechte beslag is gelegd dan heft hij het beslag op en bevordert de intrekking van het beroepschrift. Heeft de doorzending van het beroepschrift aan het college van burgemeester en wethouders reeds plaatsgevonden dan wordt het beslag na overleg met het college van burgemeester en wethouders opgeheven. Er volgt dan nog wel een beslissing van het college van burgemeester en wethouders op het beroepschrift. 4 n.v.t. Beslissing van het college van burgemeester en wethouders 5 Het college van burgemeester en wethouders zendt zijn beslissing op een ontvankelijk verklaard beroepschrift aan de invorderingsambtenaar. Deze draagt zorg voor onmiddellijke betekening van de beslissing aan de derde, aan de belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder. Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt door het College van burgemeester en wethouders rechtstreeks aan de derde, aan de belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder toegezonden. Bij de betekening van de beslissing wordt zo nodig tevens de nadere dag van verkoop vastgesteld. De verkoop mag niet eerder plaatsvinden dan op de achtste dag na die van de betekening van de beslissing van het college van burgemeester en wethouders op een tijdig ingediend beroepschrift. Voor de betekening van de beslissing worden geen kosten in rekening gebracht. Ten overvloede wordt opgemerkt dat het verbod de verkoop te laten plaatsvinden eerder dan op de achtste dag na die van de betekening, uitsluitend geldt als sprake is van tijdig ingediende beroepschriften.
Een beslissing op den niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt hetzij door de directeur rechtstreeks aan de adressant of zijn gemachtigde en – zo nodig – aan bewaarde gezonden, hetzij op verzoek van de directeur verzonden en betekend op de wijze die geldt voor een ontvankelijk verklaard beroepschrift.
Onduidelijk bezwaar 6 Als een derde bezwaar maakt tegen een beslaglegging op roerende zaken en uit het ingediende geschrift niet kan worden opgemaakt of is beoogd administratief beroep in te stellen op grond van artikel 22 van de wet dan wel verzet aan te tekenen op grond van artikel 435, derde lid, Rv nodigt de invorderingsambtenaar de derde uit zich daaromtrent binnen tien dagen uit te laten. Als de derde niet reageert, wordt het geschrift aangemerkt als een beroepschrift ex artikel 22 van de wet. Taken met betrekking tot de schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv 7 Als de derde een schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv heeft gedaan, heft de invorderingsambtenaar het beslag op als zonder meer duidelijk is dat het zaken betreft waarop de invorderingsambtenaar, geen verhaal kan nemen. Met betrekking tot de kennisgeving van de opheffing van het beslag wordt gehandeld overeenkomstig het vijfde lid van deze paragraaf. Samenloop administratief beroep en verzet 8 Als de derde zowel een beroepschrift op grond van artikel 22 van de wet indient, als een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 435, derde lid, Rv doet, behandelt de invorderingsambtenaar eerst het verzet, ex artikel 435, derde lid voordat hij het beroepschrift doorzendt aan het college van burgemeester en wethouders. Is de invorderingsambtenaar daarbij van oordeel dat het beslag kan worden opgeheven dan bevordert hij overeenkomstig het bepaalde in het derde lid van deze paragraaf de intrekking van het beroepschrift ex artikel 22 van de wet. In het geval een verzetprocedure is dan wel wordt gestart, wordt door het college van burgemeester en wethouders op het beroepschrift beslist in die zin dat het college zich zal houden aan de uitspraak gewezen in de verzetprocedure. § 6 n.v.t. Artikel 22a Naar de inhoud
Dit artikel is van toepassing op naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting welke zijn vastgesteld op de voet van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 ten name van degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken is gesteld, alsmede op de met die naheffingsaanslagen verband houdende kosten, renten en bestuurlijke boeten.
Voor de in het eerste lid bedoelde vorderingen kan door de invorderingsambtenaar verhaal worden genomen op elk motorrijtuig waarvan het opgegeven kenteken ten name van de in het eerste lid bedoelde natuurlijke persoon of rechtspersoon is gesteld, zondar dat enig ander recht op deze motorrijtuigen kan tegenwerpen.
Uitwinning van motorrijtuigen als bedoeld in het tweede lid is niet mogelijk voorzover degene die enig recht op een dergelijk motorrijtuig heeft goederen van degene op wiens naam het voor die motorrijtuigen opgegeven kenteken is gesteld, aanwijst die voor de in het eerste lid bedoelde vorderingen voldoende verhaal bieden.
De in artikel 78 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd de hen in de artikelen 78 en 79 van die wet toegekende bevoegdheden mede uit te oefenen ten behoeve van de toepassing van dit artikel.
Gelet op de inhoud van artikel 22a blijft dit artikel buiten toepassing voor gemeenten. Artikel 23 Naar de inhoud De invorderingsambtenaar kan de belastingaanslagen in de vermogensbelasting, voor zover zij betrekking hebben op met fideï-commis bezwaarde goederen, dan wel op goederen die ingevolge artikel 6 van de Wet op de vermogensbelasting 1964 (Stb. 520) worden aangemerkt als bezittingen van de vruchtgebruiker of de gebruiker, op die goederen verhalen als waren zij niet met die rechten bezwaard.
Hoofdstuk IV
Artikel 22
Naar de inhoud
Onderdeel van Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 2006